TC A2 3.4 Om ... te + werkwoord

                                                                                   Startklaar:
  • Ga rustig op je plek zitten.

  •                       Telefoon in je tas.

  • Schoolspullen op tafel: 

  • Log in op je laptop en ga naar lessonup.app

Vandaag: Om ... te + werkwoord
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

                                                                                   Startklaar:
  • Ga rustig op je plek zitten.

  •                       Telefoon in je tas.

  • Schoolspullen op tafel: 

  • Log in op je laptop en ga naar lessonup.app

Vandaag: Om ... te + werkwoord

Slide 1 - Tekstslide

Overzicht van de les
  • Hoe is het met je? 
  • Wie is er wel en wie niet?
  • Lesdoel
  • Instructie
  • Samen oefenen
  • Aan het werk
  • Terugkijken

Slide 2 - Tekstslide

          Lesdoelen
Ik kan:
  • om ... te + werkwoord
    gebruiken in zinnen.
  • de 3 situaties benoemen waarbij ik om ... te kan gebruiken.

Slide 3 - Tekstslide

               Denk allemaal even na...
           
  • Ik gebruik een thermometer om ... te meten.
  • Ik gebruik een ... om tijd te meten.
  • Ik gebruik een ... om afstand te meten.
  • Ik gebruik een weegschaal om ... te wegen.
  • Ik gebruik een ... om omtrek te meten.
  • Ik gebruik een rolmaat om ... te meten.
  • Ik gebruik een liniaal om ... te meten.

Slide 4 - Tekstslide

Om ... te + werkwoord       
  • Na om .... te schrijf je het hele werkwoord.
     Het hele werkwoord staat op de laatste plaats.
  • Klaas gaat naar school om Nederlands te leren.
  • Ik ga naar de bakker om brood te kopen.
  • Stelt iemand een vraag met WAARVOOR?
    Dan kun je antwoord geven met om ... te.
  • Waarvoor gebruik je een laptop?                Om e-mails te schrijven.
  • Waarvoor gebruik je je pen?                        Om te schrijven.



Slide 5 - Tekstslide

Om ... te + werkwoord       
  • Je kan een zin langer maken met : om … te in 3 situaties:
  1. Kun je vragen : waarom? Gebruik dan om te + werkwoord
    Te + werkwoord staat altijd aan het einde van de zin.
  2. Na bijvoeglijke naamwoorden (groot-klein, warm-koud) kunnen ook we om … te + werkwoord gebruiken.
    Het is te koud om zonder jas naar buiten te gaan.
  3. Ten slotte bij de-woorden en het-woorden (lidwoorden)
    Ik gebruik deze verf om de ramen te schilderen.
    Ze heeft niet genoeg tijd om het examen af te maken.




Slide 6 - Tekstslide

waarvoor|waarom
Waarvoor                  doel/functie.      
Waarvoor gebruik je een pen?  
Ik gebruik een pen om te schrijven.

Waarom                      reden/bedoeling.
Waarom gebruik je een pen?
Ik gebruik een pen om te schrijven.

Slide 7 - Tekstslide

Let op!
1. Bij echte oorzaak (geen doel)     Waarom ben je te laat?

Fout → Om de trein te missen. 
Goed → Omdat ik de trein heb gemist.

2. Bij gevoelens of toestanden.     Waarom ben je moe?
Fout → Om hard te werken.
Goed→ Omdat ik hard heb gewerkt.

Slide 8 - Tekstslide

Let op!
3. Bij verklaringen van situaties.        Waarom is het druk op de weg?
Fout →  Om naar werk te gaan.
Goed → Omdat veel mensen naar hun werk gaan.

4. Bij dingen die al gebeurd zijn (achteraf) Waarom heb je dat gedaan?
(inhoudsloos / fout)→ Om dat te doen. 
                              Goed → Omdat ik geen keuze had.
                              Goed→  Om tijd te besparen.
                                                Om tijd te besparen = doel → goed

Slide 9 - Tekstslide


Ben je klaar voor een korte quiz?

Slide 10 - Poll

Ahmed gebruikt een mes ...

Slide 11 - Open vraag

Rawan pakt een potlood ...

Slide 12 - Open vraag

Sirio pakt
zijn telefoon ...

Slide 13 - Open vraag

Vahyf en Ivan
gaan naar de supermarkt ...

Slide 14 - Open vraag

Shirin gaat naar
de keuken ...

Slide 15 - Open vraag

Shelly en Qia gaan
naar de stad ...

Slide 16 - Open vraag

Praat samen
1. Hoeveel kost jouw telefoon per maand?
Waarvoor gebruik jij je telefoon het meest?
2. Hoe vaak ga je naar de supermarkt?
Waarvoor ga je naar de supermarkt?
3. Ga jij vaak naar de apotheek?
Waarvoor ga jij naar de apotheek?
4. Heb je een computer thuis?
Waarvoor gebruik je de computer?
5. Hoe vaak gebruik jij je oven? Waarvoor gebruik je de oven?

timer
2:00

Slide 17 - Tekstslide

Waarvoor gebruik je een lepel?
(eten soep)

Slide 18 - Open vraag

Wat is dit voorwerp?
Waarvoor gebruik je het?

Slide 19 - Open vraag

Wat is dit voorwerp?
Waarvoor gebruik je het?

Slide 20 - Open vraag

Wat is dit voorwerp?
Waarvoor gebruik je het?

Slide 21 - Open vraag

              Instructie
  • Wat?             Werkbladen invullen
                           Oefening 1 tot 5
  • Hoe?             Zelfstandig (alleen). Op papier.
  • Hulp?            Overleg eerst zachtjes met je buur.
                            Steek je hand op, ik kom naar je toe.
  • Tijd?              15 minuten
  • Klaar?           TaalCompleet boek of Kleurrijker online
                           

timer
15:00
Laptop dicht!

Slide 22 - Tekstslide

                  Samen oefenen
  1. Hij gaat naar de supermarkt ... om boodschappen te ...
  2. om – te – nieuwe mensen – ontmoeten
    Zij gaat bij een voetbalclub .......
  3. Ik vind het leuk (naar de bioscoop) .......
  4. Hij gebruikt vaak chatGPT (schrijven - een tekst) .......
  5. 1. De voetballers trainen hard .......

Slide 23 - Tekstslide

              Aan het werk
  • Wat?             Werkbladen invullen
                           Oefening 1 tot 5
  • Hoe?             Zelfstandig (alleen). Op papier.
  • Hulp?            Overleg eerst zachtjes met je buur.
                            Steek je hand op, ik kom naar je toe.
  • Tijd?              15 minuten
  • Klaar?           TaalCompleet boek of Kleurrijker online
                           

timer
15:00

Slide 24 - Tekstslide

Tijd om op te ruimen
  • Laptop afsluiten
  • Laptop in de kast opbergen aan de lader.
  • Ga terug zitten en praat zachtjes met je buur.
  • Pak je tas in.
Als de bel gaat:
Mag je opstaan, je stoel aanschuiven en 
naar je volgende les gaan.






Slide 25 - Tekstslide