Cursus 6 Formuleren - 4 Verwijzen met pers. en bez. vnw.

Welkom bij Nederlands
Brugklas havo/vwo
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Welkom bij Nederlands
Brugklas havo/vwo

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Programma
- Leerdoelen
- Verwijzen met persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden
- Voorkennis ophalen/onderzoekje
- Samen oefenen
- Verder oefenen

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen 
Je kunt op de juiste manier verwijzen met persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden (pers. vnw. en bez. vnw.)
naar mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waar zijn we?

Cursus 6: Formuleren
Paragraaf 4
blz. 236 - 237
'Verwijzen met persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden'

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke verwijswoorden ken je al?

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke verwijswoorden herken je?
Het regent buiten. Dat vind ik erg jammer!
De opa van die jongen is erg aardig voor hem.
Tom gaat bij zijn vriendin op bezoek. Hij vindt haar erg lief.

Je begrijpt de zin alleen als je weet waar de verwijswoorden naar verwijzen. 


Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een verwijswoord

verwijst meestal terug naar 
een woord of een groepje woorden 
dat eerder genoemd is. 

Welke verwijswoorden gebruik je?  

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verwijswoorden
Omdat opa moeilijk loopt, gebruikt hij een stok die hem extra steun geeft.





Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

A Onderzoek:
1) persoonlijke voornaamwoorden
2) bezittelijke voornaamwoorden 
3) aanwijzende voornaamwoorden

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht
1) onderzoekje doen
2) voorbereiden uitleg
3) presenteren 
4) Maak opdracht 3, 4 en 6 (schrijfopdracht)
timer
10:00

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voor je mini-presentatie beantwoord je de volgende vragen:


1. Geef voorbeelden
2. Hoe herken je ze?
3. Hoe gebruik je ze?
4. Maak twee zinnen van 5 woorden met je vnw. waaruit blijkt hoe je ze toepast.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Persoonlijke vnw
vb.: hij, zij, het, jullie

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aanwijzende vnw
deze, die, dit, dat

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bezittelijke vnw
mijn, zijn, hun

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verwijswoorden







Mannelijk/vrouwelijk? Regels (filmpje) & gebruik woordenboek.
enkelvoud (m)
hij, hem, zijn
deze, die
enkelvoud (v)
zij, ze, haar
deze, die
enkelvoud (o)
het, zijn
dit, dat
meervoud bij personen
zij, ze, hen, hun
deze, die
meervoud bij dieren/dingen
ze, hun
deze, die

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 16 - Video

ankeswanenberg.nl
verwijzen met 
pers. vnw.
OW - LV - MV
hij, hem (m)
zij, ze, haar (v)
het (o)
zij, ze, hen (mv. personen)
ze (mv. dieren, dingen)


verwijzen met 
bez. vnw.

zijn (m)
haar (v)
zijn (o) 
hun (mv)
hun (mv)

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het team heeft ___
tactiek gewijzigd.
A
haar
B
zijn
C
hun
D
daar

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Als je een product koopt en ___ gaat stuk, heb je recht op garantie.
A
hij
B
zij
C
het
D
hun

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Verwijswoorden







mannelijk/vrouwelijk? Filmpje. Kijk in het woordenboek.
enkelvoud (m)
hij, hem, zijn
deze, die
enkelvoud (v)
zij, ze, haar
deze, die
enkelvoud (o)
het, zijn
dit, dat
meervoud bij personen
zij, ze, hen, hun
deze, die
meervoud bij dieren/dingen
ze, hun
deze, die

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vul aan:
Het meisje ___ daar loopt, heeft een mooie jas aan.
A
dat
B
wat
C
die

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik heb de koekjes in de trommel gelegd zodat ... lekker knapperig blijven.
A
ze
B
hun
C
hen
D
die

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht:
Lees de zinnen  en neem ze met de juiste verwijswoorden over.
Je hebt hiervoor 5 minuten. 
Je mag je boek gebruiken als hulpmiddel (tabel op blz. 236)

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Corrigeer de dikgedrukte woorden of vul in bij '...'
1.  Ik heb een nieuwe broek gekocht. Ze is groen. 
2. Het paard staat in de wei. Hij graast rustig.
3. Me zus wil daar ook wel werken. ... wil graag veel geld verdienen.
4. .. heeft een fout gemaakt. Dat is ze eigen schuld.
5. Is dat jouw hond? Nee, dat is van hem.
Je mag je boek gebruiken als hulpmiddel (blz. 236)

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Correctiemodel:
1.  Ik heb een nieuwe broek gekocht. Hij is groen (de broek - m). 
3. Het paard staat in de wei. Het graast rustig. (onzijdig)
4. Mijn zus wil daar ook wel werken. Ze wil graag veel geld verdienen. (bez. vnw)
5. Hij/zij heeft een fout gemaakt. Dat is zijn/haar eigen schuld. (bez. vnw.).
6. Is dat jouw hond? Nee die is van hem. (of dat hondje  - die)


Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zelf werken
1. Wat? Cursus 6. Formuleren. Paragraaf 4. Opdr. 2, 4 en 3 of 5.
2. Hoe? Zelfstandig.  
3. Tijd? 10 minuten
4. Hulpmiddelen? Lesboek en schrift (H. 6, par. 4, blz. 236-237).
5.  Klaar? Ga verder met paragraaf 4, opdr. 4-6  
- Klaar? verder met paragraaf 5.




Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nabespreken

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen 
Je kunt op de juiste manier met persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden (pers. vnw. en bez. vnw.)
verwijzen naar mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden.

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verder oefenen
Pas de theorie toe en maak de volgende opdrachten:
- Cursus 6. Formuleren. Par. 4 Verwijzen met pers. vnw. en bez. vnw.: opdr. 2, 4 en 3 óf 5 

Lastig? Maak ook de overige opdrachten. 
Extra oefening online. 

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Volgende keer:
 Lastige verwijswoorden

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies