Woorden bij beroepen

Woordensoorten bij beroepen

1 / 35
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 6

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Woordensoorten bij beroepen

Open vanuit herkenbare beroepen. Laat leerlingen denken aan werk dat mensen doen en aan woorden die daarbij passen.

Lesdoel

Ik kan werkwoorden, bijvoeglijk naamwoorden en zelfstandige naamwoorden herkennen en gebruiken bij beroepen.

Deze slide heeft geen instructies

Welke woorden passen bij beroepen?

Laat leerlingen losse woorden noemen, zoals doen-woorden, beschrijvende woorden of namen van spullen en beroepen.

Beroepen en woorden

  • Bij een beroep horen vaak drie soorten woorden

  • Werkwoorden: wat iemand doet

  • Bijvoeglijk naamwoorden: hoe iemand of iets is

  • Zelfstandige naamwoorden: persoon, ding of plaats

Leg nog geen moeilijke grammaticale regels uit. Houd het functioneel: doen, hoe, en naamwoord.

Wat is een werkwoord?

Een werkwoord zegt wat iemand doet.


Voorbeelden bij beroepen:

  • lassen

  • koken

  • bakken

  • meten

  • maken

Koppel steeds het werkwoord aan een zichtbare handeling. Dat helpt A1-leerlingen om de woordsoort te onthouden.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

Een bijvoeglijk naamwoord zegt hoe iemand of iets is.


Voorbeelden bij beroepen:

  • sterk

  • netjes

  • warm

  • snel

  • precies

Benadruk dat deze woorden vaak iets vertellen over werk, materiaal of de manier van werken.

Wat is een zelfstandig naamwoord?

Een zelfstandig naamwoord is een naam van een persoon, dier, ding of plaats.


Voorbeelden bij beroepen:

  • de lasser

  • de pan

  • de straat

  • de helm

  • het vuur

Wijs erop dat ook beroepennamen zelf zelfstandige naamwoorden zijn.

Welk woord is een werkwoord?

A

helm

B

maken

C

sterk

D

lasser

Controleert of leerlingen het verschil kennen tussen doen-woord, eigenschap en naamwoord.

Vul de goede woorden in

Bij beroepen horen vaak drie soorten woorden. Een werkwoord zegt wat iemand doet. Een bijvoeglijk naamwoord zegt hoe iemand of iets is. Een zelfstandig naamwoord is een naam van een persoon, ding of plaats.

werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
beroep
netjes
maken
straat

De drie kernbegrippen zijn net uitgelegd op de vorige slides.

Werkwoorden bij een lasser

  • Een lasser last metaal

  • Hij maakt delen vast

  • Hij draagt bescherming

  • Hij controleert het werk

Noem eventueel ook eenvoudige woorden als vonken en metaal, maar houd de focus op de handelingen.

Bijvoeglijke naamwoorden bij een lasser

  • een hete vlam

  • een sterke verbinding

  • veilig werken

  • een stevige helm

Laat zien dat sommige bijvoeglijke naamwoorden voor een zelfstandig naamwoord staan en soms los gebruikt worden, zoals veilig.

Zelfstandige naamwoorden bij een lasser

  • de lasser

  • het metaal

  • de bril

  • de handschoenen

  • het apparaat

Deze slide heeft geen instructies

Zin over een lasser

De lasser maakt een sterke verbinding.


  • lasser = zelfstandig naamwoord

  • maakt = werkwoord

  • sterke = bijvoeglijk naamwoord

  • verbinding = zelfstandig naamwoord

Dit is een modelszin. Gebruik de zin om samen de woordsoorten aan te wijzen.

Welk woord is een bijvoeglijk naamwoord?

A

metaal

B

controleert

C

hete

D

lasser

Gebaseerd op de voorbeelden van de lasser.

Vul de zin over de lasser in

De lasser maakt een sterke verbinding. Hij draagt een helm en werkt veilig.

lasser
sterke
draagt
veilig
kok
warme
snijdt
snel

Alle woorden komen uit de lasser-slides en hebben één logische plek.

Werkwoorden bij een kok

  • Een kok snijdt

  • Een kok kookt

  • Een kok bakt

  • Een kok serveert

Houd de voorbeelden heel concreet en zichtbaar. Vermijd te veel keukenwoorden tegelijk.

Bijvoeglijke naamwoorden bij een kok

  • een warme maaltijd

  • een schone keuken

  • lekker eten

  • een scherp mes

Bij A1 werkt het goed om woorden te kiezen die leerlingen al eens hebben gehoord, zoals warm, schoon en lekker.

Zelfstandige naamwoorden bij een kok

  • de kok

  • de pan

  • het mes

  • de groente

  • de keuken

Deze slide heeft geen instructies

Zin over een kok

De kok maakt een warme maaltijd.


  • kok = zelfstandig naamwoord

  • maakt = werkwoord

  • warme = bijvoeglijk naamwoord

  • maaltijd = zelfstandig naamwoord

Vergelijk deze zin kort met de zin over de lasser. De zinsbouw lijkt op elkaar, maar de woorden passen bij een ander beroep.

Welk woord past bij een kok als werkwoord?

A

kookt

B

scherp

C

keuken

D

warme

Toetst of leerlingen een werkwoord kunnen kiezen binnen het thema kok.

Vul de zin over de kok in

De kok maakt een warme maaltijd. In de keuken gebruikt hij een scherp mes.

kok
warme
keuken
mes
lasser
hete
straat
helm

Herhaalt de modelszin en woorden van de kok.

Werkwoorden bij een stratenmaker

  • Een stratenmaker tilt stenen

  • Hij legt tegels

  • Hij meet de straat

  • Hij maakt de grond vlak

Leg eventueel het woord vlak uit met een gebaar of een eenvoudig voorbeeld.

Bijvoeglijke naamwoorden bij een stratenmaker

  • zware stenen

  • een rechte rij

  • een vlakke straat

  • netjes werken

Deze woorden passen goed bij zichtbaar werk buiten. Benoem wat leerlingen op straat zelf kunnen zien.

Zelfstandige naamwoorden bij een stratenmaker

  • de stratenmaker

  • de steen

  • de tegel

  • de straat

  • de grond

Deze slide heeft geen instructies

Zin over een stratenmaker

De stratenmaker legt zware stenen.


  • stratenmaker = zelfstandig naamwoord

  • legt = werkwoord

  • zware = bijvoeglijk naamwoord

  • stenen = zelfstandig naamwoord

Wijs erop dat stenen hier meervoud is, maar nog steeds een zelfstandig naamwoord.

Welk woord is een zelfstandig naamwoord?

A

legt

B

zware

C

straat

D

netjes

Gebruikt woorden uit het blok over de stratenmaker.

Vul de zin over de stratenmaker in

De stratenmaker legt zware stenen. Hij meet de straat en maakt de grond vlak.

stratenmaker
zware
meet
grond
kok
warme
draagt
pan

Sluit aan bij de woorden en de voorbeeldzin uit deze subtopic.

Woordsoorten in een zin

In een zin werken de woordsoorten samen.


  • Zelfstandig naamwoord: wie of wat

  • Werkwoord: wat gebeurt er

  • Bijvoeglijk naamwoord: hoe is het

Dit is het samenvattende patroon van de les. Houd de formulering steeds hetzelfde.

Drie voorbeelden

  • De lasser draagt een stevige helm.

  • De kok snijdt verse groente.

  • De stratenmaker maakt een vlakke straat.

Lees de zinnen hardop voor. Door de herhaling zien leerlingen het patroon sneller.

Zo herken je de woorden

  • Vraag: Wat doet iemand? → werkwoord

  • Vraag: Hoe is iemand of iets? → bijvoeglijk naamwoord

  • Vraag: Wie of wat is het? → zelfstandig naamwoord

Deze drie vragen vormen een eenvoudige herkenningsstrategie op A1-niveau.

Welke vraag helpt bij een werkwoord?

A

Wie is het?

B

Hoe is het?

C

Wat doet iemand?

D

Waar is het?

Toetst de herkenningsstrategie van de samenvattende slides.

Vul de woorden in de zinnen in

De lasser draagt een stevige helm. De kok snijdt verse groente. De stratenmaker maakt een vlakke straat.

stevige
verse
vlakke
hete
schone
zware
rechte

Gebaseerd op de drie voorbeelden op slide 19.

Wat heb jij geleerd in deze les?

Mogelijke goede elementen: werkwoord = wat iemand doet, bijvoeglijk naamwoord = hoe iemand of iets is, zelfstandig naamwoord = wie of wat het is. Laat leerlingen een eenvoudig voorbeeld noemen.

Wat hielp jou het best vandaag?

Bespreek welke steun hielp: voorbeelden, zinnen, herhaling, plaatjes of vragen als 'wat doet iemand?'.

Begrippen

werkwoord - een woord dat zegt wat iemand doet

bijvoeglijk naamwoord - een woord dat zegt hoe iemand of iets is

zelfstandig naamwoord - een naam van een persoon, ding, dier of plaats

beroep - werk dat iemand doet

lasser - iemand die metaal aan elkaar maakt

kok - iemand die eten maakt

stratenmaker - iemand die stenen of tegels op straat legt

Deze slide heeft geen instructies