T5 Weektaak 4 1bkb

Ecologie  thema 6 basisstof 4 en 5
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Ecologie  thema 6 basisstof 4 en 5

Slide 1 - Tekstslide

Wat weet je nog van de vorige les?

Slide 2 - Woordweb

soortgenoten, voedsel en roofdieren zijn voorbeelden van:
A
abiotische factoren
B
biotische factoren

Slide 3 - Quizvraag

Weektaak 4

  • Basisstof 4 en 5
  • Lesson-up oefentoets






Slide 4 - Tekstslide

Leerdoelen weektaak 4
  • Je moet bij dieren aanpassingen aan het milieu kunnen beschrijven.
  • Je moet bij planten aanpassingen aan het milieu kunnen beschrijven.​

Slide 5 - Tekstslide

0

Slide 6 - Video

Aanpassingen bij dieren


  • Dieren hebben aanpassingen aan het milieu (leefomgeving)

       waarin ze leven.

  • Bijvoorbeeld functies zoals de voortbeweging, voeding, ademhaling, voorplanting etc.



Slide 7 - Tekstslide

0

Slide 8 - Video

Een woestijnvos raakt zijn warmte kwijt door:
A
Hijgen
B
grote oren
C
zweten
D
grote voetzolen

Slide 9 - Quizvraag

0

Slide 10 - Video

Waterdieren

- Vissen hebben kieuwen en vinnen

- huid is anders> schubben en slijm

- lichaam is gestroomlijnn ( kop, romp en staart gaan geleidelijk in elkaar over)


Landdieren

Dieren die op het land leven hebben meestal geen gestroomlijnde lichaamsvorm, zoals een olifant of struisvogel/ emoe.

- grote dieren zijn zwaar en hebben daardoor een stevige poten en een zwaar skelet (om hun eigen gewicht  zoals een nijlpaard, olifant, neushoorn etc.


Slide 11 - Tekstslide

Hoe is een dolfijn aangepast aan zijn leefomgeving?

Slide 12 - Open vraag

De buik van deze waterdieren is wit. Hoe zorgt dat voor een schutkleur?
A
wit lijkt wel zonlicht
B
wit verblind roofdieren zoals de haai
C
wit is de kleur van water
D
wit schijnt blauw op in het water

Slide 13 - Quizvraag

Aanpassingen bij zoogdieren aan de ondergrond
  • zoolgangers lopen op de hele voetzool (apen, beren, egels)
  • teengangers lopen op hun tenen (katten en honden)
  • Topgangers (hoefgangers) lopen op de toppen van de tenen ( paarden, herten, varkens)

Slide 14 - Tekstslide

Welke hoort er niet bij?
A
Teengangers
B
Topgangers
C
Voetgangers
D
Zoolgangers

Slide 15 - Quizvraag

Welk dier kan het snelste rennen bij een harde ondergrond
A
beer
B
kat
C
paard

Slide 16 - Quizvraag

De poten van vogels
  • sommige vogels hebben drie tenen om zich vast te klemmen aan takken zoals zangvogels (merels, spreeuwen, mezen,vinken.
  • bij Roofvogels hebben de tenen scherpe klauwen  om hun prooi te pakken. 
  • Loopvogels hebben geen tenen naar achteren (struisvogels)
  • watervogels hebben zwemvliezen tussen de tenen zoals eenden, zwanen etc.
  • steltlopers hebben lange poten zoals een flamingo of wulp






Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Welke aanpassing aan de poten zorgt dat de wulp is aangepast aan zijn leefomgeving
A
De poten zijn lang, daardoor kan hij snel lopen.
B
De poten zijn lang dan kan hij in het water staan zonder natte veren te krijgen

Slide 19 - Quizvraag

De snavels van vogels
  • sommige zangvogels hebben kegelsnavels omdat ze zaden eten
  • sommige zangvogels hebben pincetsnavel zodat ze insecten kunnen eten
  • roofvogels hebben een haaksnavel om prooien te in stukken te scheuren
  • Vogels die bodemdiertjes eten hebben een priemsnavel zoals een reiger/ wulp








Slide 20 - Tekstslide

Met welke snavels kan je goed dieren eten?
A
haak-snavel en kegel-snavel
B
zeef-snavel en kegel-snavel
C
kegel-snavel en pincet- snavel
D
haak-snavel en pincet-snavel

Slide 21 - Quizvraag

Aanpassingen van planten
  • sommige planten groeien het beste bij veel licht zoals zonplanten (zonnebloemen, rozen, tulpen etc.) Bijvoorbeeld in een open veld of in woestijnen
  • sommmige planten groeien het beste bij weinig licht zoals schaduwplanten
  • op de bodem van een loofbos heb je veel schaduwplanten die vroeg in het voorjaar bloeien door de hoeveelheid licht. Deze noem je voorjaarbloeiers







Slide 22 - Tekstslide

10. Bij paardenbloemen sterven bovengrondse delen af in de winter.
Is dit een vorm van aanpassing bij planten?

A
Juist
B
Onjuist

Slide 23 - Quizvraag

Landplanten

- droog milieu>  kleine dikke

bladeren (cactussen) en soms opslag van water in de stengels. Een sterk ontwikkelde wortelstelsel

- vochtig milieu> grote platte bladeren, zwak ontwikkeld wortelstelsel

 

Waterplanten

- de stengels zijn slap en luchtkanalen bevatten zoals bij waterlelies

Slide 24 - Tekstslide

Een aanpassing van de waterlelie zijn luchtkanalen in de stengels.
A
waar
B
niet waar

Slide 25 - Quizvraag

Weektaak 4
  • Biologie voor Jou 
  • 2KGT 
  • Thema 6
  • basisstof 6.4 en 6.5
  • Lesson-up oefentoets ingeleverd!

Slide 26 - Tekstslide