cross

Thema 6 basisttof 4 t/m 6

Ecologie  thema 6 basisstof 4 en 5
1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
Zorg en Welzijnvmbo b, kLeerjaar 2

In deze les zitten 12 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Ecologie  thema 6 basisstof 4 en 5

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we vandaag doen:
  • absentie/ start les
  • theorie basisstof 4 t/m 6
  • einde les






Slide 2 - Tekstslide

Lesdoelen

Aan het einde van de les kan je:

  • aangeven wat de aanpassingen bij landdieren en waterdieren zijn
  • aangeven wat de aanpassingen bij zoogdieren aan de ondergrond
  • aangeven wat de aanpassingen van vogels zijn (snavels en poten)
  • aangeven wat de aanpassingen zijn van planten


Slide 3 - Tekstslide

Aanpassingen bij dieren


  • Dieren hebben aanpassingen aan het milieu (leefomgeving)

       waarin ze leven.

  • Bijvoorbeeld functies zoals de voortbeweging, voeding, ademhaling, voorplanting etc.



Slide 4 - Tekstslide

Waterdieren

- Vissen hebben kieuwen en vinnen

- huid is anders> schubben en slijm

- lichaam is gestroomlijnn ( kop, romp en staart gaan geleidelijk in elkaar over)


Landdieren

Dieren die op het land leven hebben meestal geen gestroomlijnde lichaamsvorm, zoals een olifant of struisvogel/ emoe.

- grote dieren zijn zwaar en hebben daardoor een stevige poten en een zwaar skelet (om hun eigen gewicht  zoals een nijlpaard, olifant, neushoorn etc.


Slide 5 - Tekstslide

Aanpassingen bij zoogdieren aan de ondergrond
  • zoolgangers lopen op de hele voetzool (apen, beren, egels)
  • teengangers lopen op hun tenen (katten en honden)
  • Topgangers (hoefgangers) lopen op de toppen van de tenen ( paarden, herten, varkens)

Slide 6 - Tekstslide

De poten van vogels
  • sommige vogels hebben drie tenen om zich vast te klemmen aan takken zoals zangvogels (merels, spreeuwen, mezen,vinken.
  • bij Roofvogels hebben de tenen scherpe klauwen  om hun prooi te pakken. 
  • Loopvogels hebben geen tenen naar achteren (struisvogels)
  • watervogels hebben zwemvliezen tussen de tenen zoals eenden, zwanen etc.
  • steltlopers hebben lange poten zoals een flamingo of wulp






Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

De snavels van vogels
  • sommige zangvogels hebben kegelsnavels omdat ze zaden eten
  • sommige zangvogels hebben pincetsnavel zodat ze insecten kunnen eten
  • roofvogels hebben een haaksnavel om prooien te in stukken te scheuren
  • Vogels die bodemdiertjes eten hebben een priemsnavel zoals een reiger/ wulp








Slide 9 - Tekstslide

Aanpassingen van planten
  • sommige planten groeien het beste bij veel licht zoals zonplanten (zonnebloemen, rozen, tulpen etc.) Bijvoorbeeld in een open veld of in woestijnen
  • sommmige planten groeien het beste bij weinig licht zoals schaduwplanten
  • op de bodem van een loofbos heb je veel schaduwplanten die vroeg in het voorjaar bloeien door de hoeveelheid licht. Deze noem je voorjaarbloeiers







Slide 10 - Tekstslide

Landplanten

- droog milieu>  kleine dikke

bladeren (cactussen) en soms opslag van water in de stengels. Een sterk ontwikkelde wortelstelsel

- vochtig milieu> grote platte bladeren, zwak ontwikkeld wortelstelsel

 

Waterplanten

- de stengels zijn slap en luchtkanalen bevatten zoals bij waterlelies

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Link