Werkwoordspelling

1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 29 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Benodigheden: pen en papier

Slide 2 - Tekstslide

Werkwoordspelling
  • Persoonsvorm tt en vt   V  (herhaling)
  • Voltooid deelwoord

Slide 3 - Tekstslide

Persoonsvorm en onderwerp
Noteer voor jezelf wat de persoonsvorm en het onderwerp is in de volgende zin: 

Vanmiddag leid ik de bespreking.

Slide 4 - Tekstslide

Vanmiddag leid ik de bespreking.
-De persoonsvorm  is altijd een werkwoord.  (leiden)
-De persoonsvorm is de basis van de zin.
-De persoonsvorm vormt zich naar het onderwerp (het aantal) en naar de tijd. 

-Wie leidt de bespreking vanmiddag? IK
Wie doet wat? Wie is wat? Wat doet wat? Wat is wat? = onderwerp


  

Slide 5 - Tekstslide

Vanmiddag leid ik de bespreking.
-Hoe vormt de pv zich naar het onderwerp (aantal) en tijd? 
1. Verander de tijd: van de tt maak je vt of andersom.
Vanmiddag leid ik de bespreking. (tt)
Gisteren leidde ik de bespreking. (vt)
Leid verandert in leidde, dus leid  is de persoonsvorm. 
2. Verander het aantal: van ev maak je mv of andersom.
Vanmiddag leid ik de bespreking. (ev)
Vanmiddag leiden wij de bespreking. (mv)
Leid verandert in leiden, dus leid  is de persoonsvorm. 

Slide 6 - Tekstslide

Uitgangen van de werkwoorden
Opdracht:  vul in op je papier. Het werkwoord is: worden
Enkelvoud:
1. Ik ..............................verpleegkundige.  (ik-vorm)
2. Jij / Je .....................verpleegkundige. (ik-vorm+t)
3. ....................... jij/je verpleegkundige? (ik-vorm) 
4. Hij/Zij/U .................verpleegkundige. (ik-vorm+t)
Meervoud:
5. Wij/We ....................verpleegkundigen. (hele werkwoord)
6. Jullie/U ...................verpleegkundigen. (hele werkwoord)
7. Zij/Ze .....................verpleegkundigen. (hele werkwoord)




Slide 7 - Tekstslide

Uitgangen van de werkwoorden
Enkelvoud:
1. Ik word verpleegkundige.                    (ik-vorm)
2. Jij / Je wordt verpleegkundige.        (ik-vorm+t)
3. Word jij/je verpleegkundige?            (ik-vorm)     Als jij/je achter de pv staat gebruik je de ik-vorm.
4. Hij/Zij/U wordt  verpleegkundige.   (ik-vorm+t)
Meervoud:
5. Wij/We worden verpleegkundigen.  (hele werkwoord)
6. Jullie/U worden verpleegkundigen. (ik-vorm)
7. Zij/Ze worden verpleegkundigen.    (ik-vorm)



Slide 8 - Tekstslide

Uitgangen van de werkwoorden
Opdracht vul in op je papier: het werkwoord is: skypen
Enkelvoud:
1. Ik .................. niet zoveel.
2. Jij / Je..........niet zoveel.
3. ............ jij/je niet zoveel?               
4. Hij/Zij/U ......niet zoveel.
Meervoud:
5. Wij/We........niet zoveel.
6. Jullie/U.......niet zoveel.
7. Zij/Ze...........niet zoveel.



Slide 9 - Tekstslide

Uitgangen van de werkwoorden
Opdracht vul zelf in op je papier: het werkwoord is: skypen
Enkelvoud:
1. Ik skype niet zoveel.               (ik-vorm)
2. Jij / Je skypet niet zoveel.   (ik-vorm+t)
3. Skype jij/je niet zoveel?        (ik-vorm)          Als jij/je achter de pv staat gebruik je de ik-vorm (stam)
4. Hij/Zij/U skypet niet zoveel.(ik-vorm+t)
Meervoud:
5. Wij/We skypen niet zoveel.  (hele werkwoord)
6. Jullie/U skypen niet zoveel.  (hele werkwoord)
7. Zij/Ze skypen niet zoveel.     (hele werkwoord)



Slide 10 - Tekstslide

Uitgangen van de werkwoorden
Opdracht: vul in op je papier: 
1. (Houden) moed! 
2. (Houden) u van appeltaart?
3. (Houden) je goed!
4. (Houden) je vader van fietsen? 

Slide 11 - Tekstslide

Uitgangen van de werkwoorden
1. Houd moed!  (Kom hier! Geef snel!) Je zegt niet: komt hier!
Gebiedende wijs! Er is geen onderwerp! We gebruiken de ik-vorm van het werkwoord.

2. Houdt u van appeltaart?
In deze zin staat wel een onderwerp: u. Houdt u of u houdt; dat wordt hetzelfde geschreven. (Loopt u? Geeft u het snel?) (stam +t)




Slide 12 - Tekstslide

Uitgangen van de werkwoorden
3. Houd je goed! (Loop je, besef je, geef je, kom je)
Als je of jij na de pv staat, staat de pv in de ik-vorm (de stam; ik houd)

4. Houdt  je vader van fietsen? 
Wat is het onderwerp? Vraag: Wie houdt er van fietsen?  je vader (hij)
Houdt hij van fietsen? (stam + t)

Je hoort bij vader. We kunnen ook zeggen: Jouw vader.
Houdt jouw vader van fietsen? (jouw is een bezittelijk voornaamwoord)

TIP: KIJK GOED WAT HET ONDERWERP IS EN WAT DE PERSOONSVORM IS. 

Slide 13 - Tekstslide

Gebeuren
Ik gebeur
Er gebeurt (tt)
Het gebeurt (tt) 
Iets gebeurt (tt) 
Hier gebeurt altijd wel wat. (tt)
Hier gebeurde altijd wel wat. (vt)
Hier is heel veel gebeurd.




Slide 14 - Tekstslide

Persoonsvorm verleden tijd
Maak de oefening op je papier:
  1. Hij (starten) gisteren de motor. 
  2. Het zweefvliegtuig (zweven) gisteren door de lucht. 
  3. Het kleine kind (blazen) vorige week de kaarsen uit. 

Slide 15 - Tekstslide

Persoonsvorm verleden tijd
1. Hij (starten) gisteren de motor.
-starten is de pv: Hij start, wij starten (ev naar mv)
-de stam is: ik start
- hele ww: starten
- Haal -en eraf: start
-Laatste letter is de t; 
Woorden die eindigen op 't exkofschip krijgen stam+te
1. Hij startte gisteren de motor.


2. Het nieuws (verrassen) hem volledig!


Slide 16 - Tekstslide

Persoonsvorm verleden tijd
2. Het zweefvliegtuig (zweven) gisteren door de lucht.
-zweven is de pv: Het zweeft, de vliegtuigen zweven (ev naar mv)
-de stam is: zweef
- hele ww: zweven
- Haal -en eraf: zwev
-Laatste letter is de v;
Woorden die niet eindigen op 't ex kofschip krijgen stam+de
Het zweefvliegtuig zweefde gisteren door de lucht.


3. Het kleine kind (blazen) vorige week de kaarsen uit. 

Slide 17 - Tekstslide

Persoonsvorm verleden tijd
3. Het kleine kind (blazen) vorige week de kaarsen uit. 
-blazen is de pv: Het kleine kind blaast; De kleine kinderen blazen.  (ev naar mv)
-de stam is: blaas
- hele ww: blazen
- Het is een sterk werkwoord; het verandert in zichzelf: 

3. Het kleine kind blies vorige week de kaarsen uit. 

Slide 18 - Tekstslide

Werkwoordspelling
  • Persoonsvorm tt en vt   V
  • Voltooid deelwoord

Slide 19 - Tekstslide

Voltooid deelwoord
Er zijn meerdere manieren om de 'verleden tijd' aan te geven: 
Ik zwom   en   Ik heb gezwommen. 
  • Het voltooid deelwoord wordt gecombineerd met de hulpwerkwoorden: zijn, hebben, worden.       Het is gebeurd; Hij heeft het  cadeautje goed bewaard; Hij heeft zijn rijbewijs ontvangen; Het huis wordt morgen verkocht; Ik heb het nog niet gedaan; Hij wordt snel verliefd; Ik ben bij de les geweest; Ik heb gelachen.
  • Het voltooid deelwoord staat vaak aan het einde van de zin.
  • Het voltooid deelwoord verandert nooit van tijd of van aantal.  (een pv wel)                                         Het huis wordt verkocht; De huizen worden verkocht; De huizen werden verkocht.

Slide 20 - Tekstslide

Voltooid deelwoorden die eindigen op een d of een t klank.
Vanwege de storm is het vliegtuig op een andere luchthaven gelanX.
1. De werkwoorden zijn: is       gelanX
Vanwege de storm was (pv) het vliegtuig op een andere luchthaven gelanX (voltooid deelwoord).
Het landen is voltooid; afGErond  Het gelande vliegtuig. !!!Ik hoor een d!!!
2. stam: land
3. hele ww: landen
4. -en eraf: land
5. Uitgang?
  •  Voltooid deelwoorden die eindigen op letters van 't ex kofschip krijgen: ge + stam + t
  • Voltooid deelwoorden die niet eindigen op letters van 't ex kofschip krijgen: ge + stam + d
  • Vanwege de storm is het vliegtuig op een andere luchthaven geland.

Slide 21 - Tekstslide

Oefening:
Maak de oefening op je papier:
1. De brand was gelukkig snel (blussen).
2. Vorige week is hij van Alkmaar naar Amsterdam (verhuizen).
3. De kok heeft de groente (wokken).

Slide 22 - Tekstslide

Oefening voltooid deelwoord: zin 1
De brand was gelukkig snel geblusX.
1. De werkwoorden zijn: was geblusX.
De brand is (pv) gelukkig snel geblusX (voltooid deelwoord).
Het blussen is voltooid; afGErond De gebluste brand. !!!Ik hoor een t!!! (check 1)
2. stam: blus
3. hele ww: blussen
4. -en eraf: blus
5. Uitgang?
 Voltooid deelwoorden die eindigen op letters van 't ex kofschip krijgen: ge + stam + t (check 2)
De brand was gelukkig snel geblust.



Slide 23 - Tekstslide

Oefening voltooid deelwoord: zin 2
Vorige week is hij van Alkmaar naar Amsterdam verhuisX.
1. De werkwoorden zijn: is verhuisX
Vorige week zijn zij van Alkmaar naar Amsterdam verhuisX.
is = de persoonsvorm       verhuisX is het voltooid deelwoord. 
Het verhuizen is voltooid; afgerond Hij verhuisde !!!Ik hoor een d!!! (check 1)
2. stam=ik verhuis
3. hele ww= verhuizen 
4. en-eraf= verhuiz
5. z zit niet in het 't exkofschip dus: stam+d. (check 2)
Vorige week is hij van Alkmaar naar Amsterdam verhuisd.



Slide 24 - Tekstslide

Oefening voltooid deelwoord: zin 3
De kok heeft de groente gewokX.
1. De werkwoorden zijn: heeft en gewokX
De kok had (pv)de groente gewokX (voltooid deelwoord).
Het wokken is voltooid; afgerond De gewokte groente !!!Ik hoor een t!!! (check 1)
2. stam: wok
3. hele ww:wokken
4. -en eraf: wok
5. Uitgang?
 Voltooid deelwoorden die eindigen op letters van 't ex kofschip krijgen: ge + stam + t (check 2)
De kok heeft de groente gewokt.



Slide 25 - Tekstslide

Werkwoordspelling
  • Persoonsvorm tt en vt   V
  • Voltooid deelwoord V

Slide 26 - Tekstslide

Vragen/opmerkingen/feedback

Slide 27 - Tekstslide

Huiswerk

DoorNederlands
Alle oefeningen 'werkwoordspelling'

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide