Les 4: een verhaal schrijven

1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 19 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Word zelf een schrijver!

Slide 3 - Tekstslide

Wat gaan we vandaag doen?
- Huiswerk (actief/passief schrijven) bespreken.
- Planning voor het misdaadverhaal doornemen.
- Welke elementen zitten er in een misdaadverhaal?
- Brainstormen over jouw misdaadverhaal en maken van een mindmap. Dit is  tevens huiswerk voor volgende week.


Slide 4 - Tekstslide

Doel van vandaag is...
... dat je weet welke elementen terug moeten komen in jouw misdaadverhaal. Maak dus aantekeningen!

Wat houden deze elementen in.
Je maakt een start met jouw misdaadverhaal.

Slide 5 - Tekstslide

Actief versus passief schrijven
Passieve zin:
De klanten kunnen door de winkelmedewerkers geholpen worden.

Actieve zin:

Slide 6 - Tekstslide

Actief versus passief schrijven
Passieve zin:
De klanten kunnen door de winkelmedewerkers geholpen worden.

Actieve zin:
Winkelmedewerkers helpen de klanten.

Slide 7 - Tekstslide

Huiswerk bespreken
Wie wil zijn alinea met daarin een beschrijving van een gebeurtenis, waarin actieve en passieve zinnen afwisselend gebruikt zijn, voorlezen?

Slide 8 - Tekstslide

Planning
Vrijdag 27 januari schrijf je tijdens de les je eigen misdaadverhaal. Dit cijfer telt voor 15% mee.
- 700 - 800 woorden 
- Volgende week vrijdag : bouwplan af.
- Welke elementen zitten in jouw verhaal?

Slide 9 - Tekstslide

Volgende week: 17 t/m 21 januari
  • Je kent de literaire begrippen die horen bij een misdaadverhaal. Zie  LessonUps -> creatief schrijven.
  • Je maakt een mindmap voor je eigen misdaadverhaal.

    Volgende week besteden we aandacht aan:
  • Het bedenken van een goed opening- en slotzin.
  • Maken en accorderen van je bouwplan.

Slide 10 - Tekstslide

Een creatief verhaal bestaat uit elementen:
Personages
Wie?
Tip: gebruik in een kort verhaal maar een paar personages en werk deze goed uit. Dat is interessanter dan veel oppervlakkige personen. Schrijf beeldend en gebruik je zintuigen. Dit zorgt ervoor dat je de lezer zich een beeld vormt van jouw personage.
Ruimte
Waar speelt het verhaal zich af?
Tip: een ruimte doet veel met het verhaal. Zeker als je het gedetailleerd beschrijft, kan de lezer de ruimte zo voor zich zien.
Probleem / plot
Wat is er gebeurd?/Wat is het probleem? Dit is de rode draad in je verhaal. 

TIP: het is lastig om een verhaal echt kort te houden. Schrijf eerst het begin en het slot en daarna pas het middenstuk. 
Tijd
Wanneer speelt het zich af?
Is het verhaal chronologisch (eerst, toen, daarna) of komen er ook flashbacks/flashforwards in voor?

TIP: schrijf altijd in de tegenwoordige tijd. Hierdoor word je verhaal spannender. Dus niet: hij kocht een.., maar hij staat op de markt en koopt een...
Perspectief
Vanuit wie wordt het verhaal verteld?
Ik-perspectief, hij/zij-perspectief of een alwetende verteller?\

Vergelijkingen en beeldspraak
Je verhaal moet een vergelijking, uitdrukking of beeldspraak bevatten. Hierdoor weet de lezer ook meteen wat je bedoeld en trek je je verhaal naar een hoger niveau.
Spanning / cliffhanger
Bouw spanning op. Leg niet meteen in de eerste regel uit wat er is gebeurd. Gebruik wisselingen van tijd en ruimte om spannning op te bouwen. Eindig bijvoorbeeld een alinea met een cliffhanger en begin de volgende alinea met een ander personage. 

Slide 11 - Tekstslide

Personages
1. Wie spelen er een rol in je verhaal?
2. Hoe omschrijf je de personages? (zintuiglijk schrijven)
3. Hoe introduceer je de personages?
4. Wat dragen jouw personages bij aan het verhaal? Waarom zien ze er zo uit? Waarom hebben ze deze eigenschappen?

Vb. Zijn schouders zijn breed, zongebruind, maar er rust ook een groot geheim op, dat hij toch echt aan zijn moeder moet opbiechten.

Slide 12 - Tekstslide

Een creatief verhaal bestaat uit elementen:
Personages
Wie?
Tip: gebruik in een kort verhaal maar een paar personages en werk deze goed uit. Dat is interessanter dan veel oppervlakkige personen. Schrijf beeldend en gebruik je zintuigen. Dit zorgt ervoor dat je de lezer zich een beeld vormt van jouw personage.
Ruimte
Waar speelt het verhaal zich af?
Tip: een ruimte doet veel met het verhaal. Zeker als je het gedetailleerd beschrijft, kan de lezer de ruimte zo voor zich zien.
Probleem / plot
Wat is er gebeurd?/Wat is het probleem? Dit is de rode draad in je verhaal. 

TIP: het is lastig om een verhaal echt kort te houden. Schrijf eerst het begin en het slot en daarna pas het middenstuk. 
Tijd
Wanneer speelt het zich af?
Is het verhaal chronologisch (eerst, toen, daarna) of komen er ook flashbacks/flashforwards in voor?

TIP: schrijf altijd in de tegenwoordige tijd. Hierdoor word je verhaal spannender. Dus niet: hij kocht een.., maar hij staat op de markt en koopt een...
Perspectief
Vanuit wie wordt het verhaal verteld?
Ik-perspectief, hij/zij-perspectief of een alwetende verteller?\

Vergelijkingen en beeldspraak
Je verhaal moet een vergelijking, uitdrukking of beeldspraak bevatten. Hierdoor weet de lezer ook meteen wat je bedoeld en trek je je verhaal naar een hoger niveau.
Spanning / cliffhanger
Bouw spanning op. Leg niet meteen in de eerste regel uit wat er is gebeurd. Gebruik wisselingen van tijd en ruimte om spannning op te bouwen. Eindig bijvoorbeeld een alinea met een cliffhanger en begin de volgende alinea met een ander personage. 

Slide 13 - Tekstslide

Het probleem (plot)
Een verhaal zonder problemen is geen verhaal. Als alles koek en ei is, de hoofdpersoon nergens mee worstelt en eigenlijk diep tevreden is, is er niets om over te schrijven. 


Slide 14 - Tekstslide

Het probleem (plot)
Wat is het plot van het sprookje:
- sneeuwwitje
- Hans en Grietje

Slide 15 - Tekstslide

Een creatief verhaal bestaat uit elementen:
Personages
Wie?
Tip: gebruik in een kort verhaal maar een paar personages en werk deze goed uit. Dat is interessanter dan veel oppervlakkige personen. Schrijf beeldend en gebruik je zintuigen. Dit zorgt ervoor dat je de lezer zich een beeld vormt van jouw personage.
Ruimte
Waar speelt het verhaal zich af?
Tip: een ruimte doet veel met het verhaal. Zeker als je het gedetailleerd beschrijft, kan de lezer de ruimte zo voor zich zien.
Probleem / plot
Wat is er gebeurd?/Wat is het probleem? Dit is de rode draad in je verhaal. 

TIP: het is lastig om een verhaal echt kort te houden. Schrijf eerst het begin en het slot en daarna pas het middenstuk. 
Tijd
Wanneer speelt het zich af?
Is het verhaal chronologisch (eerst, toen, daarna) of komen er ook flashbacks/flashforwards in voor?

TIP: schrijf altijd in de tegenwoordige tijd. Hierdoor word je verhaal spannender. Dus niet: hij kocht een.., maar hij staat op de markt en koopt een...
Perspectief
Vanuit wie wordt het verhaal verteld?
Ik-perspectief, hij/zij-perspectief of een alwetende verteller?\

Vergelijkingen en beeldspraak
Je verhaal moet een vergelijking, uitdrukking of beeldspraak bevatten. Hierdoor weet de lezer ook meteen wat je bedoeld en trek je je verhaal naar een hoger niveau.
Spanning / cliffhanger
Bouw spanning op. Leg niet meteen in de eerste regel uit wat er is gebeurd. Gebruik wisselingen van tijd en ruimte om spannning op te bouwen. Eindig bijvoorbeeld een alinea met een cliffhanger en begin de volgende alinea met een ander personage. 

Slide 16 - Tekstslide

Brainstormen over jouw verhaal
  1. Er is een hoofdpersoon. Deze wil iets: hij heeft een doel, wens of een probleem.
  2. Hij moet in actie komen om doel te behalen of probleem op te lossen.
  3. Hij ondervindt weerstand (mensen die tegenwerken of obstakels).
  4. Er komen beschermers of helpers.
  5. Na allerlei gebeurtenissen nadert hij zijn doel. Tot het laatst blijft het spannend.
  6. Hij bereikt zijn doel/lost het probleem op. Of het loopt niet goed af!
Opdracht
  • Maak een plan voor jouw misdaadverhaal. 
  • Verzin in ieder geval stap 1, verdere stappen uitwerken mag ook.
  • Schrijf op in steekwoorden.
timer
7:00

Slide 17 - Tekstslide

Huiswerk
Volgende week dinsdag heb je een mindmap gemaakt met daarin:
Wie? 
- hoofdpersonage en kenmerken
- bijpersonen met kenmerken
- vertelperspectief
Wat? 
- probleem en plot (verhaallijn)
- een beginsituatie (denk na over een openingszin)
Waar?
- ruimte en de details
Wanneer/hoelang?
- Wanneer en hoelang vind jouw verhaal plaats?
- Bedenk een sterke openings- en slotzin.

Slide 18 - Tekstslide

Les  afgerond

  • Je weet het waaraan een misdaadverhaal moet voldoen
  • Je kent de literaire kenmerken van een misdaadverhaal.
  • Je gaat zelf aan de slag met het maken van een eerste opzet voor misdaadverhaal. 



Slide 19 - Tekstslide