Lesson Wednesday 14 December prepositions

Welcome 3D!
1 / 50
volgende
Slide 1: Tekstslide
EnglishUpper Secondary (Key Stage 4)BTEC

In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Welcome 3D!

Slide 1 - Tekstslide

Plan 
  • Past Perfect finish up
  • Kahoot
  • Ex from Stepping Stones 
  • Grammar 5 prepositions of time and place  

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Link

Practice makes perfect
Do ex 28 a,b
Done?
Do slim stampen grammar 4 a,b
Done? 
The exercises on the next slide 

Slim stampen vocab 

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Link

Slide 6 - Link

Slide 7 - Tekstslide

Plan 

  • Grammar 5 prepositions of time and place  

Slide 8 - Tekstslide

1

Slide 9 - Video

00:31
How about we meet .. la rev .. 19.30 (1x)

Slide 10 - Open vraag

5

Slide 11 - Video

01:39
You're connecting ... Dallas to >

Slide 12 - Open vraag

01:43
You need to be ... gate 32 in four minutes.

Slide 13 - Open vraag

02:11
It has my passport .. it.

Slide 14 - Open vraag

02:56
like you're always .. the office.

Slide 15 - Open vraag

03:10
written .. your arm?

Slide 16 - Open vraag

used for specific times of day and holidays.
used for days of the weeks and dates
used for months, years, seasons and parts of the day
used for surfaces, public transport and roads/ streets/ rivers.
used for general places, cities/countries and things inside an area or space.
used for specific locations or particular places.
AT (time)
AT (place)
ON (place)
ON (time)
IN (time)
IN (place)

Slide 17 - Sleepvraag

in
on
at
the first of December
my first birthday
the classroom
the roof of the car
the trainstation
2020
the late evening
8 p.m.
Jeruzalem
The United States
the train
summer
January
my birthday party

Slide 18 - Sleepvraag

on

tijd: dagen van de week en data.

plaats: oppervlaktes, openbaar vervoer, straten en rivieren
in

tijd: maanden, jaren, seizoenen en delen van een dag.

plaats: steden, landen, in een gebouw of ruimte.
at

tijd: specifieke tijd op een dag en feestdagen.

plaats: specifieke plek, niet iets algemeens.
bijvoorbeeld met een lidwoord ervoor.

Slide 19 - Tekstslide

time: use the triangle
at = specifieke tijden/feestdagen

 on = op een specifieke dag

in = heel breed, jaren, maanden, weken, etc. 
 Je kan dit ook gebruiken bij plaatsen. At = specifiek (naam, adres, plaats > on = minder specifieke straat > in = heel breed steden, gebieden, landen

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Now
Ex 29 b
Done?
Countries and cultures ex 32a 
Done?
Slim stampen grammar 5 

Slide 22 - Tekstslide

Irregular verbs pt 1

Hoe goed ken je de onregelmatige werkwoorden?
Vul de juiste vorm van de past participle in (zonder had)

Slide 23 - Tekstslide

Irregular verbs
write - wrote - ............

Slide 24 - Open vraag

Irregular verbs
do - did - ............

Slide 25 - Open vraag

PT 2

Kies of de woorden past simple (2e rijtje), past participle (3e rijtje) of infinitive (hele werkwoord) zijn. 

Slide 26 - Tekstslide

past participle
simple past
was/were

forbidden
broken
chose
known

Slide 27 - Sleepvraag

In deze opdracht moet je aangeven of het woord onderaan een infinive, past simple of past participle is.
Infinitive
past simple
Past participle
Be
was / were
Been

Slide 28 - Sleepvraag

In deze opdracht moet je aangeven of het woord onderaan een infinive, past simple of past participle is.
Infinitive
past simple
Past participle
begin
began
begun

Slide 29 - Sleepvraag

In deze opdracht moet je aangeven of het woord onderaan een infinive, past simple of past participle is.
Infinitive
past simple
Past participle
go
went
gone

Slide 30 - Sleepvraag

Kan je nou ook de past perfect invullen?

Vul je antwoord zo in:

had come, went
stopped, had lived

Slide 31 - Tekstslide

After I __________ (to brush) my teeth, I _______ (to use) some mouthwash to make sure my breath was fresh.

Slide 32 - Open vraag

I _________ (to find out) that I __________ (to leave) my shirt in the washer.

Slide 33 - Open vraag

After I __________ (to wait) for a few minutes, I ________ (to see) that my shirt was inside out.

Slide 34 - Open vraag

when I _____ (to come) back, the waiter _________ (to give) my table to someone else.

Slide 35 - Open vraag

I _______ (to go) to the men's room after we ________ (to eat).

Slide 36 - Open vraag

Irregular verbs
take - took - ............

Slide 37 - Open vraag

Irregular verbs
beat - beat - ............

Slide 38 - Open vraag

Irregular verbs
see - saw - ............

Slide 39 - Open vraag

Prepositions of place
- Geeft aan waar iets gebeurd
On: openbaar vervoer en iets ligt ergens bovenop
My phone is on the table.
In: plekken in de natuur, landen en als iets ergens in is
He took photos in the cathedral.
At: specifeke locaties, huisnummers en (namen van) gebouwen
I am at the station.

Slide 40 - Tekstslide

prepositions of time and place
Now practise!
Choose between in, at, on

Slide 41 - Tekstslide

My birthday is ____ January.
timer
0:20

Slide 42 - Open vraag

My mother has red lipstick _____ her lips.
timer
1:00

Slide 43 - Open vraag

I will meet them there __ 9 o'clock.
timer
0:20

Slide 44 - Open vraag

My mother is _____ the phone with my aunt.
timer
0:20

Slide 45 - Open vraag

I will go on holiday _______ three days.
timer
0:20

Slide 46 - Open vraag

Where will you be _______ New Year's day?
timer
0:20

Slide 47 - Open vraag

Slide 48 - Link

Now
Do ex from Stepping Stones 
Do slim stampen 

Slide 49 - Tekstslide

Slide 50 - Video