Week 37-Tekst van de Week

Lezen
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 2

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Lezen

Slide 1 - Tekstslide

Nieuwsbegrip

Slide 2 - Tekstslide

Doelen van de les..
  • Je kunt de tekst actief lezen aan de hand van sleutelvragen. 
  •  Je oefent met het achterhalen van woordbetekenissen
  •  Je beantwoordt de toetsenvragen over de tekst.

Slide 3 - Tekstslide

Waar denk jij dat de tekst over gaat?

Slide 4 - Tekstslide

Wat weet je over: Voedselverspilling

Slide 5 - Open vraag

Flimpje Nieuwsbegrip

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Link

Voor het lezen
Tekst verkennen: 
- titel
- tussenkopjes
- afbeelding
- inleiding
- bron
- opvallend gedrukte woorden

Slide 8 - Tekstslide

Samen..
                     gaan we de tekst klassikaal lezen!!


Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Opdrachten maken
HOE?
  • Na het lezen, opdracht 7 onder sleutelvragen, schrijfopdracht
  • Maak daarna opdracht 3,toetsvragen beantwoorden.

Slide 12 - Tekstslide

Kies het goede antwoord.

Nederlanders zijn steeds bewuster bezig om minder voedsel te verspillen. Ze letten daar dus goed op.
Wat betekent bewust?
A
houden aan regels
B
zonder twijfel
C
zonder na te denken
D
wetend wat je doet

Slide 13 - Quizvraag

Kies het goede antwoord.

Consumenten zijn verreweg de grootste voedselverspillers. Zij staan bovenaan.

Wat betekent verreweg?
A
meer dan iets of iemand anders
B
bijna
C
helemaal niet
D
misschien wel even veel als anderen

Slide 14 - Quizvraag

Mensen zouden jaarlijks honderden euro’s kunnen besparen als ze minder voedsel zouden verspillen. Toch is dat geen prikkel om ons gedrag te veranderen. We blijven te veel voedsel verspillen.

Wat betekent de prikkel?
A
de verandering om iets te doen
B
de vergelijking om te maken
C
de aanmoediging iets te doen
D
de vergissing om te maken

Slide 15 - Quizvraag

Na deze datum kan de kwaliteit van het product achteruitgaan. Het smaakt dan niet meer zo lekker.

Wat betekent de kwaliteit?

A
de hoeveelheid
B
de grootte
C
de waarde
D
de kleur

Slide 16 - Quizvraag

Een Ten minste Houdbaar Tot-datum staat op producten die niet snel bederven. Deze producten blijven lang goed.

Wat betekent bederven?
A
groeien
B
breken
C
aanbranden
D
rotten

Slide 17 - Quizvraag

De fabrikant garandeert tot de Ten minste Houdbaar Tot-datum een smaakvol product. Daarna kan hij dat niet meer zeggen.

Wat betekent garanderen?

A
ervan afhangen wat er gebeurt
B
ervoor zorgen dat het groot wordt
C
ervoor zorgen dat het zeker is
D
ervan uitgaan dat het eerlijk is

Slide 18 - Quizvraag

De grote supermarktketens hebben afgesproken dat ze in 2030 de helft minder voedsel verspillen dan in 2015. Deze winkels vind je overal.

Wat betekent de keten?

A
een groot bedrijf met dezelfde soort winkels door het hele land
B
een klein bedrijf met alleen maar winkels in het buitenland
C
een groot bedrijf met alleen een online winkel
D
een klein bedrijf met één grote winkel in de stad

Slide 19 - Quizvraag

Producten worden afgeprijsd waarvan de houdbaarheid verloopt. De producten zijn dus niet zo lang meer houdbaar.

Wat betekent verlopen?


A
voorstellen
B
veranderen
C
verplaatsen
D
voorbijgaan

Slide 20 - Quizvraag

In de app zie je welke winkels en restaurants in de buurt een overschot aan eten hebben. Dat eten is over en te veel.

Wat betekent het overschot?

A
het deel dat gezond is
B
het deel dat overblijft
C
het deel dat goed blijft
D
het deel dat te weinig is

Slide 21 - Quizvraag

Normaal belandt eten dat over is in de vuilnisbak. Maar met de ‘Too good to go’ app kan het nog gekocht worden door mensen.

Wat betekent belanden?


A
verschijnen
B
terechtkomen
C
beslissen
D
kwijtraken

Slide 22 - Quizvraag

Maak de zin af.

Vlees dat buiten de koelkast bewaard wordt, zal snel ...


A
garanderen
B
bederven
C
doneren
D
belanden

Slide 23 - Quizvraag

Kies het goede antwoord. Er zijn twee goede antwoorden.

De kippen van boer Jan hebben een goed leven gehad.
Wat kun je ook zeggen?


A
De kippen waren een overschot voor boer Jan.
B
Boer Jan garandeerde een goed leven voor zijn kippen.
C
De kwaliteit van het leven van de kippen was goed.
D
De kippen van boer Jan waren helemaal bedorven.

Slide 24 - Quizvraag

verreweg
de prikkel
de kwaliteit
de keten
het overschot
meer dan iets of iemand anders, veruitst
de aanmoediging om iets te doen
de waarde, de mate waarin iets goed of slecht is
een groot bedrijf met dezelfde soort winkels door het hele land
het deel dat overblijft

Slide 25 - Sleepvraag

Slide 26 - Tekstslide