1 - Hoofdstuk 2 Agrarische producten selecteren en verpakken - Les 1t/m4

1 / 45
volgende
Slide 1: Tekstslide
Tussen productie en verkoopMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 3,4

In deze les zitten 45 slides, met tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Inleiding
Op de groenteafdeling kunnen mensen zelf hun groente en fruit pakken. De meeste mensen doen dat niet zo maar. Ze pakken het op, bekijken het, voelen het en ruiken er soms aan. Ze willen wortels in de vorm van een wortel, appels zonder bruine plekken en sla die niet verlept is. Bij zuivel letten ze op de datum. En bij vlees en vis zoeken ze de mooiste stukken uit. 

Les 1 Zoek de verschillen

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

Slide 4 - Tekstslide

Bijzondere producten 
Producenten van agrarische producten hebben een bijzonder vak: ze produceren natuurproducten. Dat heeft twee belangrijke gevolgen.

1. Geen twee producten zijn hetzelfde. Elke appel is weer net wat anders dan een andere appel. De ene narcis is net wat langer dan de andere. Dat is bij boeken, smartphones of paperclips wel anders. Je zou raar opkijken als elke paperclip uit een doosje net een iets andere vorm of maat had.

2. Veel natuurproducten zijn maar een paar dagen of weken houdbaar. Denk aan melk, vis of kropsla. Dat betekent dat ze snel en zorgvuldig vervoerd moeten worden van de producent naar de winkel. Vergeleken daarmee heeft een paperclipfabrikant het maar makkelijk. De paperclips die ze vandaag maken kunnen ze over honderd jaar nog steeds verkopen.

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Allemaal anders
  • Agrarische producten van een zelfde soort zijn dus allemaal anders. De belangrijkste kenmerken waarop ze verschillen zijn:
  • De ontwikkelingsfase: elk product heeft een periode waarin het op zijn best is. Rijp fruit, verse vis, bloemen die nog net in de knop zitten.
  • Uiterlijkduct: consumenten beoordelen producten op vorm en kleur. Ze willen rode tomaten en rechte komkommers.
  • Grootte: producten moeten niet te groot of te klein zijn. Maar bij sommige producten is het juist goed dat er verschil is in grootte. Zo kan de consument bijvoorbeeld de broccoli of kamerplant kiezen die bij zijn situatie past.
  • Gewicht: het gewicht hangt samen met de grootte. Bij bijvoorbeeld een pompoen of verse vis willen consumenten een exemplaar met een bepaald gewicht.
  • Afwijkingen: zoals de tomaten in de eerdere afbeelding
  

Slide 7 - Tekstslide

Bewerking
Zijn je grondstoffen in orde? Dan kun je beginnen. Om van een grondstof een eindproduct of halffabricaat te maken, moet je hem meestal bewerken. De grondstof krijgt dan een andere structuur. Door aardappels te koken, worden ze zacht. Als je ze daarna stampt en er melk of water aan toevoegt krijg je puree. Je hebt een rauwe aardappel dus veranderd in puree. Soms krijgt een product ook nog bewerking om te zorgen dat het langer houdbaar blijft. Dit noem je conserveren. Boontjes worden bijvoorbeeld geblancheerd en vervolgens ingevroren. 
  

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Nabewerking
Als je voor jezelf kookt, dan eet je dat meestal meteen op. Als je iets bereidt wat niet meteen wordt opgegeten, moet je het op de juiste manier bewaren. Dek het product altijd af (met een deksel of folie) en schrijf op een etiket wat erin zit en wanneer je het gemaakt hebt. Ook in de voedingsmiddelenindustrie worden de producten meestal niet dezelfde dag opgegeten, maar eerst nabewerkt: ingepakt, bewaard en getransporteerd. Hoe dat gebeurt, hangt af van het product. Appelmoes wordt verpakt in potten, appelvlaai in een doos. Vla gaat in pakken en wordt gekoeld getransporteerd naar de supermarkt. 

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Inleiding

Weet iedereen waar de melk vandaan komt??

Les 2  - Tussen producent en consument

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

De productieketen
Aardappels groeien op het land. 
  • De weg die producten afleggen van producent tot consument noem je de productieketen. 
  • In de keten zitten verschillende schakels. 
  • Elke schakel is een bedrijf dat koopt van de vorige schakel. 
  • Zo'n bedrijf noem je een afnemer. 
  • De ene productieketen is langer dan de andere. Als jij je aardappels koopt in de boerderijwinkel, dan is die winkel de enige schakel tussen de producent en de consument. 
  • Maar meestal zitten er meer schakels tussen. Hoe zit dit bij friet?

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

  • fabrikant van friet of aardappelpuree kan de aardappels rechtstreeks bij de producent kopen. 
  • groothandel = bedrijf dat grote hoeveelheden product inkoopt bij een producent en ze daarna doorverkoopt in kleinere hoeveelheden. 
  • Om de aardappels in kleinere hoeveelheden te verkopen, doet de groothandel ze in kleinere verpakkingen. 
  • Afnemers van de groothandel b.v. restaurants, supermarkten 
  • bedrijven die aan de consument verkopen noem je detailhandel. 
  • Een speciale schakel is de veiling. Daar verkopen producenten hun producten aan de hoogste bieder. Bijvoorbeeld een fabrikant of een groothandel. 

Slide 17 - Tekstslide

Steeds meer waard
De schakels in de productieketen zijn er niet voor niets. Ze voegen iets toe aan het product en dat is wat waard. Daarom noem je dit de toegevoegde waarde. Denk bijvoorbeeld aan de fabrikant die de aardappels tot friet verwerkt. Aan het distributiecentrum dat producten opslaat en vervoert. Of aan de groothandel die de aardappels in zakken van 5 kilo verpakt en een tijdlang op voorraad houdt. Al deze werkzaamheden zorgen dat het product op het juiste moment en in de gewenste vorm bij de consument komt. We noemen ze de logistieke werkzaamheden.


Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Inleiding
Veel mensen weten niet waar hun eten vandaan komt. Ze zien melk, sla en bloemen in de winkel liggen en vergeten dat die dan al een lange weg achter de rug hebben. Ze komen van het land, zijn geoogst, verkocht, vervoerd, verwerkt, verpakt... Allerlei bedrijven hebben er alles aan gedaan om de producten zo goed en vers mogelijk bij de consument te krijgen. 
Les 3 Aan wie ga je verkopen?

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Video

Verkoopkanalen
De producent verkoopt zijn producten aan een van de verkoopkanalen in de productieketen. Sommige van die verkoopkanalen behoren tot de detailhandel. Ze verkopen rechtstreeks aan de consument. Dit zijn bijvoorbeeld winkelketens (supermarkten), boerderijwinkelst, marktverkopers en webwinkels op internet. Maar producenten kunnen hun producten ook aan groothandel en fabrikanten verkopen of op de veiling aanbieden. 


Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Handel met het buitenland
De afnemer van agrarische producten hoeft niet Nederlands te zijn. Veel producenten verkopen producten aan het buitenland. Ze exporteren. Bijvoorbeeld door aardappels te verkopen aan een Duitse groothandel. Het tegenovergestelde van exporteren is importeren. De Duitse groothandel importeert aardappels. Maar natuurlijk zijn er ook Nederlandse bedrijven die importeren uit het buitenland. Producten die ze niet in Nederland kunnen krijgen of die beter of goedkoper zijn in het buitenland. 


Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Kies je afnemer
Een producent kan kiezen aan welke afnemer hij welke producten verkoopt. Elk verkoopkanaal heeft zijn eigen voordelen. Je kunt bijvoorbeeld zelf in de boerderijwinkel verkopen of in een kraampje op de markt. Dan heb je alles zelf in de hand: de prijs die je vraagt, de manier waarop je je producten aanbiedt, enzovoorts. Maar dan moet je ook zelf voor bijvoorbeeld personeel en promotie zorgen. Doe je dat liever niet? Dan kun je beter aan de groothandel of detailhandel verkopen.
Met grote afnemers kun je zelfs een bulkcontract aangaan. Daarin leg je vast dat een winkelketen, groothandel of fabrikant voor een bepaalde periode een bepaalde hoeveelheid afneemt. Doordat deze afnemers zo groot zijn, gaat het vaak om lange periodes en grote hoeveelheden. Dat geeft je bedrijf veel zekerheid. Het nadeel is dat deze afnemers lagere prijzen betalen.



Slide 26 - Tekstslide

Denk aan je doelgroep
Uiteraard is een producent ook afhankelijk van de markt. Veel consumenten willen voorgesneden groenten en fruit. Ze kopen dat tegelijk met hun andere boodschappen: in de supermarkt. Andere mensen willen juist niet dat de producten zijn bewerkt en verpakt. Steeds meer consumenten kiezen voor herkenbare producten van lokale producenten. Zij gaan naar de markt, de biologische groenteboer of de boerderijwinkel. Ze zijn vaak bereid om meer te betalen voor het product.
 
Ook bij vlees en zuivel vinden mensen het steeds belangrijker om te weten waar het vandaan komt. Ze willen geen anoniem stukje vlees, maar biefstuk van een koe waarvan ze precies weten hoe ze gehuisvest en behandeld is.



Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Inleiding
Niet elke afnemer gaat voor de perfect glimmende appeltjes zonder bruine plekken. Voor een fabrikant van appelmoes telt alleen of de appels zoet zijn. De fruitteler houdt die appels graag voor hem apart. Hij wil zoveel mogelijk van zijn fruit verkopen. En weggooien is natuurlijk zonde. 
Les 4 Producten selecteren

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Video

Selecteren en sorteren
Om aan de eisen van de afnemer te voldoen, moet de producent de juiste producten selecteren. Voor de groothandel zoekt hij de gaafste appels uit. Voor de appelmoesfabriek verzamelt hij de appels die overblijven. Hij legt de soorten appels bij elkaar die bij elkaar horen. Je kunt bijvoorbeeld selecteren op grootte, op kleur of op versheid. Dat kan met de hand, maar er zijn ook steeds meer machines die agrarische producten razendsnel sorteren. 



Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide

Voldoen aan de eisen
De eisen die afnemers hebben noem je de kwaliteitsvoorschriften. Die gaan over vijf kenmerken:
  • ontwikkelingsfase
  • uiterlijk
  • grootte
  • gewicht
  • afwijkingen
 





Slide 34 - Tekstslide

Op basis van die kwaliteitsvoorschriften selecteert de producent de producten voor de afnemer. Een tuincentrum stelt bijvoorbeeld de volgende eisen aan de tulpenbollen die het inkoopt: 
  • schoon
  • ziektevrij
  • onbeschadigd
  • 10-12 cm groot

De kweker zal dan alleen tulpenbollen selecteren die aan deze eisen voldoen.
  





Slide 35 - Tekstslide

Controle bij de ingang
Elke afnemer controleert of de geleverde producten voldoen aan de eisen. Daarvoor neemt hij een monster of steekproef: hij pakt van elke partij een aantal producten en controleert of die aan de eisen voldoen. Dit noem je de ingangscontrole. 

Wanneer bijvoorbeeld een monster van dertig tulpenbollen in orde is, gaat de afnemer ervan uit dat de rest van de partij ook goed is. Als de kwaliteit onvoldoende is, kan dat gevolgen hebben voor de kweker. De afnemer wil dan bijvoorbeeld zijn geld terug. En als er vaker verkeerde bollen tussen zitten, zal hij waarschijnlijk een andere producent zoeken. Als de producent niet aan de wettelijke regels voldoet, kan hij zelfs een boete krijgen.  



Slide 36 - Tekstslide

Controle bij de ingang
Elke afnemer controleert of de geleverde producten voldoen aan de eisen. Daarvoor neemt hij een monster of steekproef: hij pakt van elke partij een aantal producten en controleert of die aan de eisen voldoen. Dit noem je de ingangscontrole. 

Wanneer bijvoorbeeld een monster van dertig tulpenbollen in orde is, gaat de afnemer ervan uit dat de rest van de partij ook goed is. Als de kwaliteit onvoldoende is, kan dat gevolgen hebben voor de kweker. De afnemer wil dan bijvoorbeeld zijn geld terug. En als er vaker verkeerde bollen tussen zitten, zal hij waarschijnlijk een andere producent zoeken. Als de producent niet aan de wettelijke regels voldoet, kan hij zelfs een boete krijgen.  



Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide

Wettelijke regels
Kwaliteitseisen komen niet alleen van de afnemer. In de wet staan regels waaraan producten moeten voldoen. Deze regels zijn bedacht door de Europese Unie. Er zijn bijvoorbeeld wel 19 pagina’s met eisen aan appels die niet bedoeld zijn voor industriële verwerking. Dus niet voor de appelmoes. In het kort komen de regels hier op neer:
  • De appels moeten heel zijn en gezond.
  • Er mogen (bijna) geen vreemde stoffen aan zitten en (bijna) geen plagen.
  • Ze mogen niet te glazig zijn, tenzij het Fuji-appelen zijn.
  • Er mag niet te veel vocht aan de buitenkant zitten.
  • Ze mogen geen gekke geur of smaak hebben.
  • En ze moeten het vervoer naar de winkel kunnen overleven.

 Best logisch toch? Deze regels zijn voor alle appels die in de winkel komen. Die appels kun je indelen in verschillende klassen.

Slide 39 - Tekstslide

Verschillende klassen
Bijna alle agrarische producten kun je indelen in verschillende klassen. Hoe hoger de klasse, hoe beter de kwaliteit. De hoogste klasse voor appels en ander fruit is klasse Extra. Daarna komen klasse 1, klasse 2 en klasse 3. In de supermarkt ligt bijna alleen klasse Extra en klasse 1. Klasse 2 hoort daar bij de buitenbeentjes en die zie je ook wel op de markt. Klasse 3 is alleen voor industriële verwerking. 

Slide 40 - Tekstslide

Slide 41 - Tekstslide

De eisen voor elke klasse staan ook weer omschreven in de wettelijke regels. In de regels staat ook hoeveel millimeter of gram de vruchten in een zelfde verpakking van elkaar af mogen wijken. In een verpakking met drie klasse Extra paprika’s mogen bijvoorbeeld niet twee grote en één kleine zitten. 

Slide 42 - Tekstslide

Slide 43 - Tekstslide

Slide 44 - Tekstslide

Opdrachten:

Huiswerk: - Maken vragen lessen 1 t/m4
                     - Test jezelf
                     - Laten aftekenen
Hoe: Helemaal stil! muziek mag in!
Hulp: Geen
Tijd: De resterende tijd
Klaar?: Ga bezig met een ander vak! 

Slide 45 - Tekstslide