Werkwoorden `Disk


1 / 40
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsISK

In deze les zitten 40 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les


SAMEN LEZEN boek of een verhaal

Nieuwsbegrip Huiswerk

*Bespreek opdr. 1 t/m 20 (tweetallen)


*Extra opdracht (groepjes van 4)

Wat gaan we leren?

*Nieuwe werkwoorden (betekenis) H15 Internet en social media


*inoefenen zinnen (lesson up)


*Vervoegen van werkwoorden


  • Disk; grammatica; zinnen

Werkwoorden Disk

Learning objective

Werkwoorden internet en social media


antwoorden, facebooken, mogen, staan, whatsappen, ontmoeten, chatten,redden, solliciteren, bekijken, geven, missen, vinden, besteden, e-mailen, reageren, repareren, checken



Wat gaan we doen?

  • Lees het verhaal en zet de vertaling bij het werkwoord!


  • Vervoeg de werkwoorden in het schema (copy teams)

  • Maak zinnen met deze werkwoorden


  • maak de oefeningen op A1 niveau (Groep 1 en 2) schrift

  • maak de oefeningen op A2 niveau (Groep 3)

Indeling

Groep 1; Yakoub, Nicole, Achmed A, Yousef



Groep 2; Shaimae, Alissia, Abdullah, Retaj, Atef, Kostiantyn, Artur, Hanza, Jalal, Achmed S, Mohammed




Groep 3; Elif, Ihsan, Andrii, Loujain, Slar, Herivan, Shahyan

Aan de slag

  • Vul de driehoekjes met werkwoorden


  • Schrijf woorden erbij die jou helpen bij het onthouden van de werkwoorden

Werkwoorden internet en social media


antwoorden, facebooken, mogen, staan, whatsappen, ontmoeten, chatten,redden, solliciteren, bekijken, geven, missen, vinden, besteden, e-mailen, reageren, repareren, checken



Zinnen bouwen


Wie?


Doet wat?


Waar?


Wanneer?

Voorbeeld zin

Abdul voetbalt bij Flevo Boys op zaterdag



Wie Wat Waar Wanneer

Maak goede zinnen

Denken; alleen



Delen; tweetal



Uitwisselen; klas

Maak een goede zin

op een vraag hij antwoordt


(verleden tijd)

Goede zin

Hij antwoordt op een vraag.


Hij antwoordde op een vraag.

Maak een goede zin

facebooken met elkaar wij


(verleden tijd)

Correcte zin

Wij facebooken met elkaar


Wij facebookten met elkaar.

Maak een goede zin

niet de wc jij mag naar


(verleden tijd)

Goede zin

Jij mag niet naar de wc.


Jij mocht niet naar de wc.

Maak een goede zin

de bushalte ze staan bij


(verleden tijd)

Correcte zin

Ze staan bij de bushalte.


Ze stonden bij de bushalte.

Maak een goede zin

jij waarom whatsappte mij ?


(tegenwoordige tijd)

Goede zin

Waarom whatsappte jij mij?


Waarom whatsapp jij mij?



Maak een goede zin

op school zij elkaar ontmoeten


(verleden tijd)

Goede zin

Zij ontmoeten elkaar op school



Zij ontmoetten elkaar op school.

Maak een goede zin

met haar vriendje zij chatte


(tegenwoordige tijd)

Goede zin

Zij chatte met haar vriendje



Zij chat met haar vriendje.

Maak een goede zin

redden wij het hondje in nood


(tegenwoordige tijd)

Goede zin

Wij redden het hondje in nood.


Wij redden het hondje in nood.


Voltooid deelwoord:


Wij hebben het hondje gered.

Maak een goede zin

morgen solliciteren ga ik


(3 zinnen)

Goede zin

Ik ga morgen solliciteren.


Morgen ga ik solliciteren.


Ik ga morgen sollicteren.

Maak een goede zin

hebben wij de school bekeken vorige week


(3 zinnen)

Goede zin

Vorige week hebben wij de school bekeken.


Wij hebben de school vorige week bekeken.


Wij hebben de school bekeken vorige week.

Maak een goede zin

gaf mij een euro de oude man


(tegenwoordige tijd)

Goede zin

De oude man gaf mij een euro.


De oude man geeft mij een euro.

Maak een goede zin

mijn broertjes ik mis


(verleden tijd)

Goede zin

Ik mis mijn broertjes.


Ik miste mijn broertjes.

Maak een goede zin

vond haar ipad 2 maanden geleden terug zij


(3 zinnen)

Goede zin

Zij vond twee maanden geleden haar ipad terug.


Twee maanden geleden vond zij haar ipad terug.


Zij vond haar ipad twee maanden geleden terug.

Nog niet alle werkwoorden

Slide tekst