Cambridge lesson 2

1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Today's class
  • Starter: Cambridge English quiz=next week

  • Main course:
-  Grammar: Parts of Speech

  • Dessert: odd one out!

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

How many papers (exams) are there for the B1 preliminary exam?
A
2
B
4
C
6
D
8

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Do you need you need to pass all the papers in order to pass ?
A
Yes
B
No

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Which paper has the most parts?
A
Speaking
B
Listening
C
Reading
D
Writing

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

How many parts do you need to complete in the reading paper?
A
2
B
4
C
6
D
8

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Which paper is the shortest in time?
A
Listening
B
Speaking
C
Reading
D
Writing

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

How many words do you have to write in part 1 of the writing paper?
A
80
B
100
C
120
D
140

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

How many questions will you get in task 2 of the writing paper?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Parts of speech
In English there are 8 parts of speech
In Dutch you call them: woordsoorten

Do you know all eight?

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Parts of speech

Slide 13 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

The parts of speech
Noun = zelfst.nw
Pronoun = pers. vnw
Verb = ww
Adjective = bijv. nw
Adverb = bijwoord
Preposition = voorzetsel
Conjunction =voegwoord
Interjection = tussenwerpsel

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Example sentences
- John drove in a very pink car, and, yikes, he disliked the color. 

- I saw John driving an extremely ugly car today, so I called him and said: darn! You should buy a new car, man!
timer
5:00

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Flash card!

Slide 16 - Tekstslide

Deze flashcard kan groot op het bord wanneer de studenten werken aan de opdracht.

Slide 17 - Tekstslide

Bingo kaarten nodig.
Spinner toevoegen met daarin de 8 parts of speech. Studenten strepen de juiste woorden passend bij de woordsoort door op hun bingokaart.
You will get a bingo card.

  • I will call out English words.
  • You have to think: is it a verb, noun, adjective, adverb or a pronoun.
  • Cross out one of the boxes.
  • Ticked five boxes in a row? BINGO!!!

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verb = werkwoord
Adjective = bijvoeglijk naamwoord
Adverb = bijwoord
Noun = zelfstandig naamwoord
Pronoun = persoonlijk voornaamwoord


Slide 19 - Tekstslide

BINGO.
Spinner draaien. 
Studenten kruisen één part of speech weg op hun kaart. 5 op een rij = Bingo.
NOUN: boy, firefighter, store, rug, hat, farm, humor, goat, 
VERB: eat, talk, sleep, cry, look. move, run, climb, 
PRONOUN: I, both, he, her, our, she, we, you, 
ADVERB: easily, happily, today, near, cheerfully, sadly, neatly, now, 
ADJECTIVE: small, blue, round, three, smooth, many, nice, loud.

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Try this out!
In pairs
Work with the noun 'the student'
Write down at least 10 adjectives, verbs, adverbs and places.
Stick them in the right place

timer
15:00

Slide 21 - Tekstslide

Werkvorm als ingeleide oefening.
Studenten denken in groepjes na over woorden die ze in kunnen vullen in de vakken. Studenten vullen de woorden in op post-its en plakken deze dan in het juiste vak.
Daarna nabespreken en zinnen maken.
Try this out!
Try and make an extremely gigantic beautiful long sentence! 
This is a competition :)


timer
2:00

Slide 22 - Tekstslide

Werkvorm als ingeleide oefening.
Studenten denken in groepjes na over woorden die ze in kunnen vullen in de vakken. Studenten vullen de woorden in op post-its en plakken deze dan in het juiste vak.
Daarna nabespreken en zinnen maken.

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 24 - Tekstslide

Dessert 1.1

Four flags
- UK, Canada, Australia = Common Wealth
- USA = Independent

Four flags
- UK, USA, Australia = red, white and blue
- Canada = red and white

Four flags
- British Pounds
- Canadian, American, Australian dollars