Voor- en achtervoegsels

Voorvoegsel
Achtervoegsel
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 25 min

Onderdelen in deze les

Voorvoegsel
Achtervoegsel

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoel

Aan het eind van deze opdracht kun je:


- herkennen hoe je voor- en achtervoegsels combineert met kernwoorden.

- het verschil omschrijven tussen afleidingen en samenstellingen.

- herkennen dat een woord kan veranderen in betekenis door gebruik van voor- en achtervoegsels.


Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Een afleiding bestaat uit een kernwoord met een voor- of achtervoegsel dat op zichzelf meestal geen woord is.
Voorbeelden:
tijdloos
, werkzaam, ondankbaar​ 
Zulke voor- en achtervoegsels geven het kernwoord een andere betekenis.
Ook verandert vaak de woordsoort door het achtervoegsel.

meisje (zn) - meisjesachtig (bnw.)

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorvoegsel
- een stukje vóór het woord
- daardoor verandert het woord van betekenis

Bijvoorbeeld: 
on (=voorvoegsel) + rustig = onrustig

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorvoegsel

Bijvoorbeeld:

her (= voorvoegsel) + gebruiken = hergebruiken

mis + dragen = misdragen

non + fictie = nonfictie

ex + vriend = exvriend

on + zeker = onzeker

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Veelvoorkomende voorvoegsels
Voorbeeld

a-: niet

anti-: tegen

non-: niet

mis-: verkeerd, fout

wan-: slecht, verkeerd

her-: weer, opnieuw

ex-: niet meer

mini-: heel klein

inter-: tussen 2 of meer gebieden

asociaal

antipthie

non-actief

misdragen

wantoestand

herinrichten

ex-man

minibus

interland

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Achtervoegsels
Er zijn veel woorden met -heid, -lijk, -ing, -ig, 
 -er, -erd, -aar, -aard, -baar, -rik of -isch erachter. 

Deze korte stukjes zijn achtervoegsels,
je schrijft ze altijd op dezelfde manier. 

Slide 8 - Tekstslide

achtervoegsels zet je altijd achter een woord, zoals het woord zelf al aangeeft: achtervoegsels. Het gaat dus om het laatste deel van een woord.

Voorbeelden 
blijheid
duidelijk
afdeling
aardig
aansteker
eigenaar
aaibaar
fantastisch

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Betekenis

Door een achtervoegsel verandert de betekenis van een woord.

Kijk dus altijd goed in de zin wat er precies bedoeld wordt.


Het einde van de film is prachtig.

De docent kan eindeloos doorzeuren over mijn punt.


Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies



-(i)teit biodiversiteit

-kundig vakkundig

-(e)lijk wetenschappelijk

-rijk waterrijk

-vaardig slagvaardig

-wekkend angstwekkend



-achtig kinderachtig

-baar onoplosbaar

-eus nerveus, matineus

-heid werkloosheid

-ief subjectief

-ig gelukkig

-isme socialisme



Veelvoorkomende achtervoegsels

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent
onmisbare
A
niet te missen
B
gemiste

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent
wantoestanden
A
slechte toestanden
B
andere toestanden

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent
non-actief
A
weer actief
B
niet actief

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent
wantoestanden
A
slechte toestanden
B
andere toestanden

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent
ex-voorzitter
A
iemand die vroeger voorzitter was
B
verkeerde voorzitter

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent
herkauwers
A
een dier dat zijn eten opnieuw kauwt
B
een dier dat zijn eten meteen goed kauwt

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent
mini-ezels
A
jonge ezels
B
kleine ezels

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent
mishandeling
A
verkeerde handeling
B
gemiste handeling

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent het onderstreepte woord?
De ex-man van onze buurvrouw is naar Canada verhuist.

_______

Slide 20 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent het onderstreepte woord?
Je kunt dat boek onmogelijk in één dag uitlezen.

__________

Slide 21 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent het onderstreepte woord?
Tijdens de les Duits heeft Aron zich vreselijk misdragen.

__________

Slide 22 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent het onderstreepte woord?
De politie stuurt wanbetalers een sms'je met een laatste waarschuwing.

___________

Slide 23 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent het onderstreepte woord?
Nadat mijn moeder mijn kamer had opgeruimd, moest ik hem helemaal herinrichten.

___________

Slide 24 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent het onderstreepte woord?
Drie keer per dag rijdt er een minibus van Zevenbergen naar Etten-Leur.
________

Slide 25 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent het onderstreepte woord?
Wanneer speelt Nederland die interlandwedstrijd?
_________________

Slide 26 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent het onderstreepte woord?
Weet jij waar die anti-muggenspray staat?
_________________

Slide 27 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent het onderstreepte woord?
Omdat de politiechef iets verkeerd had gezegd, is hij op non-actief gesteld.
_________

Slide 28 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent het onderstreepte woord?
Het is een wanorde in de winkel van mijn oom.
________

Slide 29 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


niet gelijk van vorm
A
non-symmetrisch
B
hersymmetrisch
C
asymmetrisch
D
anti-symmetrisch

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


opnieuw gebruiken
A
hergebruiken
B
misgebruiken
C
wangebruiken
D
ex-gebruiken

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


niet ervaren
A
ex- ervaren
B
non-ervaren
C
interervaren
D
onervaren

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


slechte prestatie
A
tegenprestatie
B
pro-prestatie
C
pre-prestatie
D
wanprestatie

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


shampoo tegen roos
A
nonroosshampoo
B
exroosshampoo
C
antiroosshampoo
D
wanroosshampoo

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


kleine reep
A
ex-reep
B
antireep
C
minireep
D
herreep

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


foute slag
A
misslag
B
conslag
C
comslag
D
herslag

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


een slechte daad
A
non-daad
B
condaad
C
herdaad
D
wandaad

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

GELEERD?
Nog vragen?

Aan de slag in Vo-Next

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies