Feodaliteit

D1. Het leenwezen
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisSecundair onderwijs

In deze les zitten 46 slides, met tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

D1. Het leenwezen

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Waarom verklaart iemand zichzelf vazal?

Welke plichten hebben heer en vazal?

Hoelang duurt de overeenkomst?

Slide 4 - Tekstslide

Waarom verklaart iemand zichzelf vazal?

  • Omdat iemand zelf weinig had.
  • Voor bescherming en levensonderhoud. 

Slide 5 - Tekstslide

Welke plichten en rechten hebben heer en vazal?
Heer
  • Plicht: bescherming en levensonderhoud.
  • Recht: (krijgs)dienst.
Vazal:
  • Plicht: dienen en gehoorzamen.
  • Recht: bescherming en levensonderhoud.

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Hoelang duurt de overeenkomst?
  • Levenslang.

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Bron 2
Wat vraagt Einhard voor zijn vriend?
  • Enkele vrije beneficia.
Wat krijgt Lodewijk de Duitser terug?
  • Iemand die zijn belangen dient.

Slide 11 - Tekstslide

Feodaliteit ontstaat uit vazalliteit.
  • Germanen en Romeinen: 'zwakkere' vrije mannen -> dienaars 'sterkere'.
  • Vroege middeleeuwen: rijke grootgrondbezitters -> armere vrije mannen in krijgsdienst = vazalliteit.
  • Soms gaf de heer hen een vergoeding voor die trouw. 
  • Aanvankelijk niet met elkaar verbonden.
  • Franken verbonden trouw zweren aan de heer met het geven van grond.
  • = basis van de feodaliteit.

Slide 12 - Tekstslide

De feodaliteit ontstaat uit de vazalliteit.
De feodaliteit ontstaat uit de vazalliteit.
Leenheer
Leenman
Leen (feodum)
Trouw en dienst

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Leenhulde
  • Plechtigheid.
  • Vazal belooft trouw aan heer.
  • Heer geeft met investituur het leen aan de vazal.

Slide 16 - Tekstslide

Verschillende soorten lenen
Grondleen
  • Elke vrije man kan leenman zijn van een stuk grond
Ambtsleen
  • met ambtsgebied: een gebied waar een leenman een functie mag uitoefenen.
  • zonder ambtsgebied: een belangrijke functie aan het hof.

Slide 17 - Tekstslide

Verschillende soorten lenen
Geld
  • Een recht (bv. tol mogen heffen).
  • Jaarlijkse som geld.

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Bron Jocelyn d'Avalon
Wie is in de bron de leenheer? Wie is de leenman?
  • Leenheer: Thiebaut, paltsgraaf van Troyes. Leenman: Jocelyn d’Avalon.
Komt het leen na de dood van Jocelyn terug bij de leenheer? 
  • Het leen komt niet terug bij de leenheer want het leen wordt gegeven aan Jocelyn d’ Avalon en zijn erfgenamen.

Slide 20 - Tekstslide

Bron Jocelyn d'Avalon
Welke van de drie soorten leen wordt er gegeven?
  • Grondleen: de heerlijkheid Gillencourt.
Waarom staat er in de bron 'nu en in de toekomst'? 
  • Omdat de erfgenamen ook moeten weten dat het leen niet terugkeert na de dood van Jocelyn.

Slide 21 - Tekstslide

Bron Jocelyn d'Avalon
Aan wie heeft Jocelyn trouw gezworen?
  • Aan Thiebaut van Troyes maar ook aan Gerard d’Arcy, en de hertog van Bourgondië en Peter, de graaf van Auxerre

  • Wat zou daar het gevolg van geweest zijn?

Slide 22 - Tekstslide

2. De feodaliteit als gelaagde samenleving.

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Video

Slide 25 - Tekstslide

Rechten en plichten leenman<-> leenheer
Gezamenlijke verplichtingen: elkaar niet bevechten, beledigen of schade toebrengen.

Slide 26 - Tekstslide

Wat moet je als leenheer doen voor de boeren op je land?
  • Een deel van je land in leen geven.
  • Beschermen tegen invallen. 
  • Rechtspreken.

Slide 27 - Tekstslide

Wat zijn de regels voor de leenman? (plichten leenman)
  • Trouw zweren.
  • Advies geven.
  • (Krijgs)dienst.

Slide 28 - Tekstslide

Plichten leenman
  • Geldelijke steun. 

Slide 29 - Tekstslide

Geldelijke steun
In 4 gevallen.

Slide 30 - Tekstslide



  • Oudste zoon leenman wordt ridder.

Slide 31 - Tekstslide



  • Oudste dochter trouwt. 

Slide 32 - Tekstslide



  • De leenheer trekt op kruisvaart.

Slide 33 - Tekstslide



  • Losgeld wanneer de heer krijgsgevangen is.

Slide 34 - Tekstslide

Niet naleven van leen.
  • Leenheer leeft het niet na -> leenman moet met hem geen rekening meer houden.
  • Overheer (leenheer van de leenheer) neemt de leen over.

Slide 35 - Tekstslide

Niet naleven van leen.
  • Leenman leeft het niet na -> verliest zijn leen. 

Slide 36 - Tekstslide

3. Het leenstelsel keert zich tegen de koningen. 
  • Vanaf 9de eeuw: meerdere lenen bij verschillende leenheren.
  • Waarom zouden ze dit doen?
  • Wat is het gevolg hiervan?

Slide 37 - Tekstslide

  • Trouw zweren.
  • Advies geven.
  • (Krijgs)dienst.

Slide 38 - Tekstslide

3. Het leenstelsel keert zich tegen de koningen. 
  • Niet duidelijk meer wie voor wie vocht. 
  • Onderlinge oorlogen. 

Slide 39 - Tekstslide

Verdere verzwakking koninklijke macht door buitenlandse invallen:

Slide 40 - Tekstslide

Gevolg:
Was de koning nog sterk in deze oorlogen?
  • Koningen kunnen hun grondgebied niet meer beschermen.
-> Wat betekent dit voor de leenverplichtingen?
  • Leenmannen beschouwen dit als niet nakomen van hun leenverplichtingen.
  • Wat gebeurde er in dit geval?

Slide 41 - Tekstslide

Lenen werden erfelijk.
  • Na dood leenman -> erfgenamen doen hulde voor het leen.
  • Elk leen gelijk verdeeld onder de zonen.

Slide 42 - Tekstslide

Wat zouden hier de gevolgen voor zijn?
  • Onoverzichtelijk wie allemaal leenman is.
  • Rijk verbrokkeld.

Slide 43 - Tekstslide








Het feodale Frankrijk
(11e eeuw)

Slide 44 - Tekstslide

Frankrijk.
a) Vergelijk het kroondomein met de lenen van de kroonvazallen. Wat stel je vast?
  • Sommige vazallen controleren een groter gebied dan de koning.
  • Franse koning = primus inter pares (= de eerste onder de gelijken).













Slide 45 - Tekstslide

Oplossing versnippering
Eerstgeboorterecht
  • Oudste zoon erft alles.
  • Geen zonen -> oudste dochter krijgt leen.













Slide 46 - Tekstslide