Neurale regulatie (Biologie havo), les 1: Uitleg

ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL

Neurale regulatie

Examenstof biologie havo

1 / 22
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Uitleg over het centraal en perifeer zenuwstelsel, de hersendelen, receptoren en zenuwcellen, autonoom en animaal zenuwstelsel, impulsgeleiding met myeline, de synaps en de reflexboog. Zes controlevragen en twee afsluitende vragen.

Onderdelen in deze les

ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL

Neurale regulatie

Examenstof biologie havo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: O2.3 (B4.3), specificatie 1 t/m 4. Image credit: NIAID, Ryan Kissinger / Wikimedia Commons, publiek domein

ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL

Wat ga je kunnen?

Ik kan beschrijven hoe het zenuwstelsel signalen opvangt, doorgeeft en verwerkt, en dit toepassen in een situatie.

Deze slide heeft geen instructies

Wat gebeurt er in je lichaam als je een hete pan aanraakt?

Verwacht: pijn, hand terugtrekken, snel, zonder nadenken. Koppel aan de begrippen van de les: receptor, impuls, zenuwcellen, reflexboog. Vraag: wat gebeurt er eerst, het wegtrekken of het voelen?

ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL

Centraal en perifeer zenuwstelsel

  • Het centraal zenuwstelsel (CZS) bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg.

  • Het CZS ontvangt signalen, verwerkt ze en stuurt opdrachten terug.

  • Het perifeer zenuwstelsel bestaat uit alle zenuwen buiten de hersenen en het ruggenmerg.

  • Zenuwen voeren impulsen van receptoren naar het CZS en van het CZS naar spieren en klieren.

  • Het ruggenmerg verbindt de hersenen met de rest van het lichaam.

Syllabus O2.3 specificatie 1: centraal zenuwstelsel, perifeer zenuwstelsel, ruggenmerg. Het CZS is de verwerker, het perifeer zenuwstelsel is de bekabeling. Veelgemaakte fout: denken dat het ruggenmerg bij het perifeer zenuwstelsel hoort.

De menselijke hersenen van opzij: grote hersenen, kleine hersenen en hersenstam

ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL

Drie delen van de hersenen

  • De grote hersenen zorgen voor bewust waarnemen, denken, geheugen en willekeurige bewegingen.

  • De kleine hersenen coördineren bewegingen en zorgen voor evenwicht en houding.

  • De hersenstam regelt onbewuste processen, zoals ademhaling en hartslag.

  • Op de afbeelding liggen de kleine hersenen achteronder en loopt de hersenstam naar beneden.

Syllabus O2.3 specificatie 1: grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam. Laat leerlingen op de afbeelding de drie delen aanwijzen. De hersenstam gaat naar beneden over in het ruggenmerg. Veelgemaakte fout: de hersenschors, de grote hersenen en de hersenstam door elkaar halen. Image credit: NIAID, Ryan Kissinger / Wikimedia Commons, publiek domein

MRI-scan van de hersenen, horizontale doorsnede van boven gezien

ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL

Hersenschors en centra

  • De hersenschors is de buitenste, sterk geplooide laag van de grote hersenen.

  • In de hersenschors liggen centra: gebieden met een eigen taak.

  • Zintuigcentra verwerken signalen van receptoren, zoals het gezichtscentrum en het gehoorcentrum.

  • Een bewegingscentrum stuurt willekeurige bewegingen aan.

Syllabus O2.3 specificatie 1: hersenschors en centra in de hersenschors. De plooien vergroten het oppervlak van de hersenschors, zodat er meer zenuwcellen in passen. De MRI-scan is een horizontale doorsnede van boven gezien. Veelgemaakte fout: denken dat de hele hersenschors op elke taak werkt in plaats van per centrum. Image credit: Asnaebsa / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Welk onderdeel hoort bij het perifeer zenuwstelsel?

A

De zenuwen naar de spieren in je arm

B

Het ruggenmerg in je rug

C

De hersenstam onder in je hoofd

D

De kleine hersenen in je hoofd

Zenuwen buiten het CZS vormen het perifeer zenuwstelsel. Verwachte fout: het ruggenmerg kiezen, maar dat hoort bij het CZS.

Vul in

Fleur houdt haar evenwicht op de balk door de kleine hersenen, terwijl de hersenstam haar ademhaling regelt en de grote hersenen haar plan voor de sprong bedenken.

kleine hersenen
hersenstam
grote hersenen
ruggenmerg
perifeer zenuwstelsel

Evenwicht en coördinatie: kleine hersenen. Ademhaling: hersenstam. Bewust plannen: grote hersenen. Verwachte fout: de grote hersenen voor evenwicht kiezen.

ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL

Prikkel, receptor en impuls

  • Een prikkel is een verandering in of buiten je lichaam die je kunt waarnemen.

  • Een receptor vangt een bepaalde prikkel op en zet die om in een impuls.

  • Een impuls is een elektrisch signaal in een zenuwcel.

  • Voorbeelden: temperatuurreceptor, lichtreceptor, tastreceptor en pijnreceptor.

  • Elke receptor reageert alleen op zijn eigen soort prikkel.

Syllabus O2.3 specificatie 1 en 2: prikkel, impuls, temperatuurreceptor, lichtreceptor, tastreceptor, pijnreceptor. Een lichtreceptor zit in het oog, tastreceptoren in de huid. Veelgemaakte fout: prikkel en impuls door elkaar halen. De prikkel komt van buiten, de impuls ontstaat in de zenuwcel.

ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL

Drie soorten zenuwcellen

  • Een gevoelszenuwcel geeft impulsen van een receptor door aan het CZS.

  • Een schakelzenuwcel ligt in het CZS en verbindt zenuwcellen met elkaar.

  • Een bewegingszenuwcel geeft impulsen van het CZS door aan een spier of klier.

  • Signaalverwerking: schakelzenuwcellen in het CZS combineren signalen en bepalen de reactie.

  • De route: receptor, gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spier of klier.

Syllabus O2.3 specificatie 1 en 2: gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, signaalverwerking. Schakelzenuwcellen ontvangen signalen van veel cellen en geven ze gecombineerd door. Veelgemaakte fout: de richting omdraaien. Gevoelszenuwcellen gaan naar het CZS toe, bewegingszenuwcellen van het CZS af.

ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL

Bewust en onbewust

  • Het animale zenuwstelsel stuurt je bewuste handelingen aan, zoals een bal vangen.

  • Het autonome zenuwstelsel (vegetatief) regelt onbewuste processen, zoals hartslag en darmbeweging.

  • Je stuurt het autonome zenuwstelsel niet bewust aan: het werkt dag en nacht.

  • Voorbeeld: bij schrik gaat je hartslag omhoog (autonoom) en je besluit bewust weg te rennen (animaal).

Syllabus O2.3 specificatie 1: autonoom (vegetatief) zenuwstelsel en animaal zenuwstelsel. Hartslag, spijsvertering en pupilgrootte zijn autonoom. Veelgemaakte fout: denken dat autonoom betekent dat het zenuwstelsel zelf bepaalt zonder het CZS.

Zet de weg van het signaal op volgorde

1

Bewegingszenuwcel

2

Receptor in de huid

3

Spier

4

Schakelzenuwcel

5

Gevoelszenuwcel

Receptor, gevoelszenuwcel naar het CZS, schakelzenuwcel in het CZS, bewegingszenuwcel naar de spier. Verwachte fout: schakelzenuwcel en bewegingszenuwcel verwisselen.

Welk proces wordt door het autonome zenuwstelsel geregeld?

A

Het schrijven van je naam

B

Het gooien van een bal

C

Het fietsen naar school

D

De hartslag tijdens het slapen

Onbewuste processen zijn autonoom. De andere opties zijn bewuste handelingen. Verwachte fout: denken dat alles wat automatisch gaat, zoals fietsen, autonoom is.

Bewegingszenuwcel met myelineschede (schema)

ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL

Impuls en myelineschede

  • Impulsgeleiding: een impuls reist één kant op, van de uitlopers via het cellichaam langs de axon.

  • Veel axonen zijn omwikkeld door cellen van Schwann. Samen vormen die de myelineschede.

  • Tussen de stukken myeline ligt de axon bloot: de insnoeringen.

  • Bij sprongsgewijze geleiding springt de impuls van insnoering naar insnoering: veel sneller.

Syllabus O2.3 specificatie 1: cel van Schwann, myelineschede, impulsgeleiding, sprongsgewijze impulsgeleiding. Bij MS raakt de myeline in het CZS beschadigd, waardoor impulsen trager of niet doorgegeven worden. Veelgemaakte fout: denken dat de myelineschede de impuls zelf maakt. Hij maakt de geleiding sneller. Image credit: Eigen afbeelding

Een synaps tussen twee cellen (schema)

ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL

De synaps

  • Een synaps is de overgang tussen een zenuwcel en de volgende cel.

  • Komt een impuls aan, dan geven blaasjes in het uiteinde neurotransmitter af in de spleet.

  • De neurotransmitter hecht aan receptoreiwitten van de volgende cel: daar ontstaat een nieuwe impuls.

  • Een synaps werkt één kant op: alleen het uiteinde geeft neurotransmitter af.

Syllabus O2.3 specificatie 1: synaps en neurotransmitter. De volgende cel kan een zenuwcel, spiercel of kliercel zijn. De impuls zelf springt niet over de spleet: het signaal wordt door de neurotransmitter overgedragen. Veelgemaakte fout: denken dat de impuls als elektrisch signaal over de spleet springt. Image credit: Eigen afbeelding

Reflexboog: van receptor via drie zenuwcellen naar de spier (schema)

ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL

Reflexboog en regelkring

  • Een regelkring in het zenuwstelsel: receptor meet, het CZS verwerkt, een spier of klier reageert.

  • De reflexboog is de route bij een reflex: receptor, gevoels-, schakel- en bewegingszenuwcel, spier.

  • Een reflex is snel en onbewust, want de schakelzenuwcel ligt vaak al in het ruggenmerg.

  • Via andere schakelzenuwcellen gaat de impuls ook naar de hersenen: daarom voel je het pas daarna.

Syllabus O2.3 specificatie 3: regelkring, reflexboog. Bij een terugtrekreflex neemt de prikkel af door de reactie, bijvoorbeeld de hand van een hete pan. Sommige reflexen lopen via de hersenstam in plaats van het ruggenmerg. Veelgemaakte fout: denken dat de hersenen de reflex bewust aansturen. Image credit: Eigen afbeelding

Wat doet myeline met de impulssnelheid?

Goed antwoord: de impuls gaat sneller, doordat hij van insnoering naar insnoering springt. Verwachte fout: zeggen dat de impuls juist trager wordt, of dat myeline de impuls maakt.

Wat gebeurt er in een synaps als een impuls het uiteinde bereikt?

A

De impuls springt als elektrisch signaal over de spleet

B

Neurotransmitter komt vrij en bereikt de volgende cel

C

De volgende cel stuurt neurotransmitter naar de eerste

D

De myelineschede geeft de impuls door aan de volgende

Het uiteinde geeft neurotransmitter af. Verwachte fout: de impuls laten overspringen als elektrisch signaal.

Wat vond je vandaag het lastigst?

1

De hersendelen en hun taken

2

De drie soorten zenuwcellen

3

Impuls en synaps

4

Reflexboog en regelkring

Gebruik de uitslag om te bepalen welk onderdeel je de volgende les nog eens met een voorbeeld doorloopt.

Waarom is een reflex zo snel?

Goed antwoord: de schakelzenuwcel ligt vaak al in het ruggenmerg, dus de impuls hoeft niet eerst naar de hersenen. Verwachte fout: zeggen dat de impuls bij een reflex sneller reist.

ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL

Begrippen (1/2)

  • centraal en perifeer zenuwstelsel: Het CZS bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. Alle zenuwen daarbuiten vormen het perifeer zenuwstelsel.

  • hersenschors en centra: De buitenste laag van de grote hersenen, met centra voor onder andere zien, horen en bewegen.

  • hersenstam: Regelt onbewuste processen, zoals ademhaling en hartslag.

  • autonoom en animaal zenuwstelsel: Autonoom regelt onbewuste processen, animaal bewuste handelingen.

  • receptor en prikkel: Een receptor zet een prikkel om in een impuls.

Deze slide heeft geen instructies

ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL

Begrippen (2/2)

  • gevoels-, schakel- en bewegingszenuwcel: Naar het CZS toe, in het CZS, en van het CZS naar spier of klier.

  • impuls: Een elektrisch signaal dat langs een zenuwcel reist.

  • myelineschede en cel van Schwann: Cellen van Schwann vormen de myelineschede, die sprongsgewijze impulsgeleiding mogelijk maakt.

  • synaps en neurotransmitter: De overgang tussen twee cellen, waar neurotransmitter het signaal overdraagt.

  • reflexboog: De route van de impuls bij een reflex, een regelkring in het zenuwstelsel.

Deze slide heeft geen instructies