5.4 Wat houd je echt over?

Verwachtingen vandaag!
  • Mijn boek ligt open op de rekenopdrachten blz. 168 (huiswerk controle)
  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, etui en rekenmachine.
  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op
  • Als de docent praat ben ik stil
  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 20 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Verwachtingen vandaag!
  • Mijn boek ligt open op de rekenopdrachten blz. 168 (huiswerk controle)
  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, etui en rekenmachine.
  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op
  • Als de docent praat ben ik stil
  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen

Slide 1 - Tekstslide

5.4 Wat houd je echt over?
H1 Economie is meer dan geld

Slide 2 - Tekstslide

Wat weten we nog/al?

Slide 3 - Tekstslide

Leerdoelen 5.3
  • Je kunt uitleggen wat btw is en welke btw-tarieven er zijn.
  • Je kunt uitleggen waarom een winkelier niets aan de btw verdient.
  • Je kunt de consumentenprijs berekenen.
  • Je kunt vanuit de consumentenprijs terugrekenen naar de verkoopprijs. 

Slide 4 - Tekstslide

Begrippen paragraaf 5.3
  • Btw
  • Consumentenprijs

Slide 5 - Tekstslide

Leerdoelen 5.4
  • Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen de inkoopprijs en de inkoopwaarde.
  • Je kunt de brutowinst berekenen.
  • Je kunt bepalen met welke bedrijfskosten je rekening moet houden. 
  • Je kunt de nettowinst berekenen.

Slide 6 - Tekstslide

Inkoopwaarde
  • Alles wat je bij een winkel koopt, heeft de eigenaar ervan het eerst ingekocht.
  • Dit doen ze bijvoorbeeld bij een groothandel of een fabriek.
  • Per product betaalt de detaillist de inkoopprijs
  • Het totale bedrag dat een detaillist betaalt voor de inkoop van producten, noem je de inkoopwaarde.
  • De inkoopwaarde reken je niet tot de gewone kosten van je bedrijf.

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Brutowinst berekenen
  • Het geld dat je van je klanten ontvangt, is je omzet.
  • Een deel van dat geld heb je eerst al uitgegeven voor de inkoop van je producten ofwel je inkoopwaarde.
  • Als je de inkoopwaarde aftrekt van de omzet, houd je geld over.
  • Dit noemen we de brutowinst.
  • Van de brutowinst moeten later nog andere kosten af.

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Bedrijfskosten
De brutowinst is niet het bedrag wat de ondernemer mag houden.
Hier moeten nog andere kosten vanaf: de bedrijfskosten.
Voorbeelden van bedrijfskosten zijn:
  • Huur
  • Gas, water en licht
  • Verzekeringen
  • Reclame
  • Personeel

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Nettowinst
  • De winst die overblijft als je alle kosten betaald hebt, noem je nettowinst.
  • Eerst reken je de brutowinst uit. 
  • Daar gaan alle bedrijfskosten nog van af.
  • Wat overblijft is je nettowinst.
  • Zijn je bedrijfskosten hoger dan je brutowinst, dan heb je een nettoverlies.

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Begrippen paragraaf 5.4
  • Brutowinst
  • Inkoopwaarde
  • Nettowinst 

Slide 18 - Tekstslide

Je kunt nu
  • Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen de inkoopprijs en de inkoopwaarde.
  • Je kunt de brutowinst berekenen.
  • Je kunt bepalen met welke bedrijfskosten je rekening moet houden.
  • Je kunt de nettowinst berekenen.

Slide 19 - Tekstslide

Aan het werk!
Klassikaal gemaakte opdrachten: 12, 5, 6, 11, 12 en 16
Nog te maken opdrachten 5.4: 1, 3, 7, 9, 10, 13, 17 en 18 (omcirkelen)

Opdrachten laten controleren bij de docent, bij goedkeuring nakijken.
Nagekeken werk laten controleren bij de docent, bij goedkeuring:
  • Maken plusopdrachten Hoofdstuk 5
  • Bezig met een ander vak
  • Lezen


 

timer
25:00

Slide 20 - Tekstslide