ULTIEME EINDEJAARS STEM WETENSCHAPPEN QUIZ

ULTIEME EINDEJAARS STEM WETENSCHAPPEN QUIZ

Learning objective

1 / 30
volgende
Slide 1: Slide
newEditorSTEMSecundair onderwijs

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

ULTIEME EINDEJAARS STEM WETENSCHAPPEN QUIZ

Learning objective

Volgens je STEM-cursus is 'STEM' een letterwoord uit het Engels. Waar staat de letter 'E' exact voor?

A

Elektricity

B

Environment

C

Engineering

D

Economics

Je staat op het punt een experiment te starten in het labo. Wat moet je volgens het laboreglement als allereerste controleren op de stoffen die je gaat gebruiken?

A

De kleur en de geur van de stoffen

B

De chemische formule en het smeltpunt


C

De vervaldatum en de prijs van de stoffen


D

De gevarenpictogrammen en hun H- en P-zinnen


In het labo gebruiken we specifiek glaswerk om kleine hoeveelheden vloeistoffen te mengen of voorzichtig te verhitten. Welk langwerpig basismateriaal met een ronde bodem staat vaak in een houten of plastic rekje?

A

Maatcilinders

B

Proefbuizen

C

Erlenmeyers

D

Pipetten

Tijdens de STEM-lessen hebben jullie gewerkt met de OVUR-methode bij het uitvoeren van experimenten en projecten. Waar staan de letters OVUR achtereenvolgens voor?

A

Onderzoeken, Voorspellen, Uitproberen, Rapporteren

B

Oriënteren, Voorbereiden, Uitvoeren, Reflecteren

C

Organiseren, Vastleggen, Uitrekenen, Reageren

D

Ontwerpen, Visualiseren, Uitwerken, Redigeren

In het CO2-rapport van de school werd het binnenklimaat geanalyseerd. In welke eenheid wordt de CO2-concentratie in een ruimte uitgedrukt?

A

graden Celsius (°C)

B

procent (%)

C

parts per million (ppm)

D

milligram per liter (mg/L)

Stel dat de CO2-meter in jullie klaslokaal een waarde van 1450 ppm aangeeft. Hoe wordt de luchtkwaliteit op dat moment beoordeeld volgens de grenswaarden in de cursus?

A

Uitstekend

B

Matig

C

Goed

D

Slecht

Wat is volgens de theorie van de oerknal ('The Big Bang Theory') de oorspronkelijke bron van alle elementen in ons heelal, en met welke twee basiselementen begon het?

A

koolstof en zuurstof

B

ijzer en nikkel

C

goud en zilver

D

waterstof en helium

Wat is de juiste wetenschappelijke definitie van een 'element' volgens de cursus chemie?

A

Een mengsel van verschillende soorten moleculen die je makkelijk kunt filteren

B

Een vloeistof die altijd uit exact twee verschillende soorten atomen is opgebouwd

C

Een stof die via de scheikunde niet meer in verschillende substanties te splitsen is en louter uit één type atomen bestaat

D

Elk deeltje dat groter is dan een bacterie of een menselijke cel

Welke deeltjes zitten in de atoomkern?

A

Elektronen

B

Moleculen

C

Protonen

D

Neutronen

Wat is het fundamentele verschil tussen een heterogeen mengsel en een homogeen mengsel?

A

Bij een heterogeen mengsel kun je de verschillende stoffen met het blote oog of een microscoop onderscheiden, bij een homogeen mengsel niet.

B

Een heterogeen mengsel bestaat altijd uit twee vloeistoffen, een homogeen mengsel uit een vaste stof en een gas.


C

Homogene mengsels kun je heel makkelijk zeven, terwijl je heterogene mengsels moet destilleren.

D

Een homogeen mengsel bevat giftige stoffen en een heterogeen mengsel bevat enkel natuurlijke stoffen.

Je hebt een suspensie van krijtpoeder en water. Welke scheidingstechniek is het meest geschikt om het vaste krijtpoeder snel uit het water te halen?

A

Indampen

B

Destilleren

C

Magnetisme

D

Filtreren

In een ziekenhuis wordt bloed in een toestel geplaatst dat heel snel ronddraait. Hierdoor zakken de zwaardere bloedcellen sneller naar de bodem op basis van hun dichtheid en de middelpuntvliegende kracht. Hoe heet deze scheidingstechniek?

A

Centrifugeren

B

Decanteren

C

Flotatie

D

Zeven

Bij de destillatie van wijn wordt alcohol gescheiden van de rest van de wijn. Hoe noemt men de verdampte en weer afgekoelde vloeistof die in de opvangkolf terechtkomt, en hoe noemt men de stof die achterblijft in de destillatiekolf?

A

Het filtraat en het sediment

B

Het destillaat en het residu

C

De emulsie en de suspensie

D

Het extract en het solvent

Wat bestudeert de toegepaste wetenschap 'hydraulica' of 'waterloopkunde' in de eerste plaats?

A

De werking van elektrische stroomkringen in huishoudelijke apparaten

B

De chemische samenstelling van drinkwater in Europa

C

Het gedrag van stromende vloeistoffen, vaak met een vrij wateroppervlak zoals rivieren en zeeën

D

De voortplanting van geluidsgolven door de lucht

Wat is de natuurkundige formule voor 'druk' (p) en in welke officiële SI-eenheid drukken we druk uit?

A

p = F.A uitgedrukt in Pascal (Pa)

B

p =A/F uitgedrukt in Pascal (Pa)

C

p = m.g uitgedrukt in Pascal (Pa)

D

p =F/A uitgedrukt in Pascal (Pa)

De wet van Pascal is superbelangrijk in de hydraulica. Wat zegt deze wet over de druk die wordt uitgeoefend op een vloeistof in een gesloten vat?

A

De druk neemt af naarmate de vloeistof verder van de pomp stroomt.

B

Een druk uitgeoefend op een vloeistof plant zich in alle richtingen met eenzelfde grootte voort.

C

De druk is alleen voelbaar aan de oppervlakte en niet op de wanden van het vat.

D

De druk zorgt ervoor dat de vloeistof samengeperst wordt tot de helft van haar volume.

Stel: je hebt een hydraulisch systeem met twee verbonden cilinders (spuitjes). Spuit 1 heeft een klein oppervlak van 2 vierkante cm en je duwt met een kracht van 10 N. Spuit 2 heeft een oppervlak van 10 vierkante cm. Welke kracht oefent Spuit 2 uit dankzij de wet van Pascal?

A

2N

B

20N

C

50N

D

100N

In de cursus over Gedrag hebben we het 'SOR-schema' gezien om aan te tonen dat iedereen uniek is en anders reageert. Waar staan de letters S, O en R exact voor?

A

Situatie - Observatie - Resultaat

B

Snelheid - Omgeving - Richting

C

Stimulus - Organisme - Reactie

D

Socialisatie - Ontwikkeling - Relatie

Wat betekent het begrip 'metabolisme' of 'stofwisseling' dat besproken wordt bij het onderdeel 'Organisme' in de gedragscursus?

A

De manier waarop een dier zich camoufleert in zijn natuurlijke omgeving.

B

Het geheel van alle chemische en fysieke processen binnen een organisme om in leven te blijven

C

De snelheid waarmee een prikkel door de zenuwen naar de hersenen reist

D

Het overdragen van informatie aan iemand anders met behulp van woorden

In de cursus wordt ook het 'ABC-model' van gedrag uitgelegd. Waar staan de letters A, B en C in dit schema voor?

A

Aandacht - Beoordeling - Communicatie

B

Actie - Beweging - Conclusie

C

Aanpassing - Biologie - Cultuur

D

Situatie) - Gedrag - Gevolg

Wat is in de sociologie en gedragsleer een 'groep' volgens de officiële definitie in de cursus over groepsdruk?

A

Elke toevallige verzameling van mensen die op exact hetzelfde moment op een tram stappen.

B

Een groep mensen die uitsluitend dezelfde biologische genen delen (zoals een eeneiige tweeling).

C

Aangenomen dat er een verzameling is van twee of meer personen die in verbinding staan met elkaar, een gezamenlijk lot of doel hebben en een sociale structuur.

D

Mensen die elkaar niet kennen en toevallig allemaal dezelfde kledingkleur dragen.

Wat is in de maatschappij en sociologie het belangrijkste verschil tussen 'waarden' en 'normen'?

A

Normen zijn wetten die door de politie gecontroleerd worden; waarden zijn persoonlijke geheimen.

B

Waarden gaan over hoeveel geld iets waard is; normen gaan over biologische eigenschappen.

C

Er is geen verschil; het zijn twee verschillende woorden voor exact hetzelfde biologische instinct.

D

Waarden zijn de zaken die belangrijk gevonden worden (bv. gelijkheid); normen zijn concrete richtlijnen hoe je met elkaar omgaat (bv. geen afval op straat gooien).

Tijdens een experiment in het introfilmpje over groepsdruk ging een proefpersoon in een wachtrij staan en vertoonde na een tijdje exact hetzelfde vreemde gedrag als de rest (zoals opstaan als het belletje rinkelt). Welk begrip past hierbij?

A

Sociaal-emotionele ontwikkeling

B

Sociaal zekerheidsrecht

C

Sociaal perfectionisme

D

Sociaal conformisme

Wat is het verschil tussen 'verbale communicatie' och 'non-verbale communicatie'?

A

Verbale communicatie is altijd via de computer; non-verbale communicatie gebeurt altijd face-to-face.

B

Verbale communicatie verloopt via woorden (schriftelijk of mondeling); non-verbale communicatie verloopt zonder woorden (zoals via houding en gebaren).

C

Verbale communicatie is bedoeld voor vreemden; non-verbale communicatie gebruik je alleen bij je ouders.

D

Verbale communicatie gebruikt alleen afbeeldingen; non-verbale communicatie gebruikt uitsluitend ingewikkelde formules.

De 'Roos van Leary' is een bekend model voor gedragsstijlen. Als iemand heel goed zijn klachten en kritiek kan uiten, maar daardoor bitter overkomt en uitstraalt dat hij niemand nodig heeft, welke gedragsstijl uit de Roos is dit dan?

A

Leidend

B

Helpend

C

Opstandig

D

Aanpassend

In de cursus over Genetica leren we over eigenschappen. Wat is het verschil tussen een 'dominant allel' en een 'recessief allel'?

A

Een dominant allel is de overheersende eigenschap die altijd tot uiting komt; een recessief allel is de onderdrukte eigenschap die je alleen ziet als er geen dominant allel aanwezig is.

B

Een dominant allel erf je alleen over van je vader; een recessief allel erf je uitsluitend van je moeder.

C

Dominante allelen veranderen elke week van vorm; recessieve allelen blijven je hele leven exact hetzelfde.

D

Een dominant allel komt alleen voor bij planten; een recessief allel komt alleen voor bij zoogdieren.

Stel dat het kunnen rollen van je tong een dominante eigenschap is (T) en het niet kunnen rollen recessief (t). Een vader is heterozygoot (Tt) en een moeder kan haar tong niet rollen (tt). Hoeveel procent kans heeft elk kind om wél een tongroller te zijn?

A

0%

B

25%

C

50%

D

100%

Bij het practicum biologie hebben jullie micro-organismen uit een grondstaal bekeken onder de microscoop. Welk basismateriaal gebruik je om het monster op te leggen en waarmee dek je het monster vervolgens veilig af?

A

Een erlenmeyer en een rubberen stop

B

Een petrischaaltje en filtreerpapier

C

Een reageerbuis en een prepareernaald

D

Een voorwerpglaasje en een dekglaasje

Hoeveel chromosomenparen heeft een man?

A

24

B

23

C

22

D

21