Les 1 en les 2 De vitale functies

De vitale functies
Zorgpad Thema: Persoonlijke zorg
Leerpad 11 Vitale functies en lichaamstemperatuur
Hoofdstuk 1,3,4,5
1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

De vitale functies
Zorgpad Thema: Persoonlijke zorg
Leerpad 11 Vitale functies en lichaamstemperatuur
Hoofdstuk 1,3,4,5

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Deel 1:
  • De student  kan de vitale functies benoemen
  • De student weet wat een bloeddruk is en kent de achterliggende theorie
  • De student weet wat een hartslag is en kent de achterliggende theorie
Deel 2:
  • De student weet wat de ademhaling is en kent de achterliggende theorie
  • De student weet wat een saturatie is en kent de achterliggende theorie
  • De student weet hoe hij de temperatuur kan meten en kent de achterliggende theorie
  • De student kent de aandachtspunten als vz/vp'r bij het bewustzijn en kent de achterliggende theorie.





Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke vitale functies ken je al?

Slide 3 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Vitale functies:

Bloeddruk
Hartslag
ademhaling
lichaamstemperatuur
Bewustzijn



Beoordelen door:
Kijken
Luisteren
Voelen

Geef per vitale functie aan of en hoe je ze kut beoordelen

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bloeddruk
Waar meet je de bloeddruk?
Arm of buik?
Slagader of ader?
In rust of bij inspanning?

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Weten jullie zelf welke
RR jullie ongeveer hebben?

Slide 7 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Diastole (Onderdruk)
Systole (Bovendruk)

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zoek op: Hoe kan het dat mensen met overgewicht een hogere bloeddruk hebben?

Slide 9 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Bloeddruk kan beïnvloed worden door:
Emoties en stress
Leeftijd
Medicatie
Lichamelijke inspanning
Lichaamsgewicht/ voedingsstijl

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zoek eens op,
welke verschijnselen heb je
bij een te hoge bloeddruk?

Slide 11 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Verschijnselen bij een te hoge bloeddruk
Vermoeidheid, Hoofdpijn
Stoornis van gezichtsvermogen/ 
Neusbloeding
Kortademigheid bij inspanning
Hersenbloeding
Nachtelijke benauwdheid

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat te doen bij een hoge bloeddruk?
Eet gezond en let op zout
Afvallen
Minder alcohol
stoppen met roken

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verschijnselen bij een te lage bloeddruk

Flauwtes
Vermoeidheid
Duizeligheid door beweging
Hartkloppingen
Shock

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat te doen bij een lage bloeddruk?
Span je spieren aan
Ga zitten, of liggen, leg je hoog tussen je benen
Sta rustig op
Eet voldoende zout (Niet teveel)
Drink voldoende


Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat kunnen we zeggen over de waarde van de bloeddruk?
De normaalwaarde van bloeddruk ligt bij volwassenen rond 120/80 mmHG.

De bloeddruk is te hoog (Hypertensie) als de gemiddelde bovendruk hoger is dan 140 mmHG, of als de onderdruk hoger is dan 90 mmHG  Bij mensen >80 wordt vanaf 160 mmHg gesproken over een hoge bloeddruk.. 

Er is sprake van een lage bloeddruk (Hypotensie als de bloeddruk zo laag is dat het lichaam niet in staat is om normaal te functioneren (als er klachten optreden zoals duizeligheid, flauwvallen of een licht gevoel in het hoofd). Dit kan voor iedereen bij een andere waarde het geval zijn.


Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bloeddruk normaalwaarde
Normaalwaarde: 120-80
16.10 Vitale functies C Circulatie - 7
Let op: Straks mogen twee mensen het voor doen en gaan we iets vinden van de bloeddruk.

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hartslag

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. arteria radialis: pols; 
2. arteria temporalis: slaap; 
3. arteria femoralis: lies; 
4. arteria brachialis: arm bij elleboog; 
5. arteria carotis: hals.

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waar let je op?
De frequentie van de pols: wat is het aantal slagen per minuut?
De regelmaat van de pols: is de pols regelmatig of niet?
De gelijkmatigheid van de pols: zijn de polsslagen gelijk gevuld?
De kracht van de pols: is de polsslag al of niet heftig?

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Afwijkingen
Tachycardie= een hartfrequentie boven de 100 slagen per min
Oorzaken: stress, koffie, uitdroging
Bradycardie= een hartfrequentie onder de 60 slagen per min
Oorzaken: geneesmiddelen, drugs,hartproblemen
Aritmie= onregelmatige hartslag
Oorzaken: hartritmestoornissen

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Even checken wat jullie onthouden hebben...

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je meet bij een mevrouw van 85 een bloeddruk van 165-90. Wat doe je?

Slide 23 - Tekstslide

In de gaten houden. Na een uur weer meten. Bij ouderen mag hij boven de 160 zijn.
Als je de pols van mevrouw Lee voelt, voel je dat deze erg krachtig, regelmatig, duidelijk en iets sneller dan normaal is. Wat kan er aan de hand zijn met mevrouw Lee?

Slide 24 - Tekstslide

De pols van mevrouw Lee is erg krachtig, regelmatig, duidelijk en iets sneller dan normaal. Dit kan voorkomen als mevrouw Lee zich lichamelijk heeft ingespannen, koorts heeft of geëmotioneerd is.
Meneer de Vries geeft bij jou aan dat hij de laatste dagen vaak een bloedneus heeft en 's nachts erg benauwd is. Wat denk jij? Wat doe jij?

Slide 25 - Tekstslide

Bloeddruk meten. Je verwacht wellicht een hoge bloeddruk.
Je meet een onregelmatige polsslag van 120 slagen per minuut bij meneer Stael. Wat doe je?

Slide 26 - Tekstslide

Als je sterk afwijkende waarden meet, zoals een onregelmatige hartslag van 120 slagen per minuut bij meneer Stael, geef je deze meteen door aan de arts.
Ademhaling (respiratie)

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waarop kun jij een
ademhaling beoordelen?

Slide 28 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Beoordelen van de ademhaling
Ademhalingsfrequentie en patroon (9-14 keer per min)
Kleur van de huid
Gebruik van hulpademhalingsspieren en buikademhalingsspieren
Ademgeruis 
Geur
Eventueel saturatie meten

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zoek op wat de volgende ademhalingen betekenen:

Kussmaulademhaling
Cheyne-Stokesademhaling
Zuchtende ademhaling

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hersenaandoening
Stervende zorgvrager
Ernstige ontregelde diabetes
Kussmaulademhaling
Cheyne-Stokesademhaling
Zuchtende ademhaling

Slide 31 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Juiste antwoorden:
Kussmaulademhaling: diepe, niet onderbroken regelmatige ademhaling. Dit komt bijvoorbeeld voor bij een ernstig ontregelde diabetes of andere ontregeling van de stofwisseling
Cheyne-Stokesademhaling: ademhaling van diep naar oppervlakkig naar pauze. Dit komt met name voor bij stervende zorgvragers
zuchtende ademhaling: regelmatige ademhaling met af en toe een zucht. Dit komt vaak voor bij zorgvragers met hersenaandoeningen

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Meneer Oosting (79) is bedlegerig en oogt benauwd. Wat kun jij als verzorgende doen om zijn benauwdheid te verminderen, naast de maatregelen die de arts voorschrijft?

Slide 33 - Tekstslide

Om de benauwdheid van meneer Oosting te verminderen, kun je zijn lichaamshouding veranderen door hem rechtop voorovergebogen in bed te plaatsen, met zijn armen op het uitgeklapte bedtafeltje. Je kunt hem helpen zijn rug te strekken door hem ruimte te geven en ervoor te zorgen dat er niet te veel kussens achter zijn rug zijn geplaatst.
De saturatie

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Heb je weleens een saturatiemeter gezien of gebruikt?
JA
NEE

Slide 35 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

2 manieren van saturatie meten



100 % is prima
<95 % is hypo
1) arteriële bloedgasanalyse: deze methode vereist een arteriële bloedafname, de benodigde analyse apparatuur

2) de transcutane (door de huid en nagelbed) meting met een saturatiemeter: deze methode is heel eenvoudig


Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Temperatuur

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een normale temperatuur
voor een menselijk lichaam?

Slide 38 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Temperatuur waarden 

Normaal: 36.5-37.5
Te koud: <36.5
Onderkoeling: <35.0
Verhoging: 37.5-38.0
Koorts: >38.0
Hyperthermie: > 41.0
Te koud:
verhoging spierspanning
(willekeurige spieren krijgen onwillekeurige bewegingen)
Rillen, klappertanden

Te warm
Dilatatie
Zweten

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Normaal bewustzijn
De mate waarin iemand kan reageren op prikkels uit de omgeving is het bewustzijn. Door een constante toestroom van prikkels wordt het bewustzijn onderhouden. Wanneer iemand slaapt, is de toestroom van prikkels verminderd en is er sprake van een verminderd bewustzijn. Dit is een normale situatie, omdat iemand snel weer uit deze situatie kan geraken wanneer hij gewekt wordt. De situatie is niet normaal wanneer er te veel zintuiglijke prikkels nodig zijn om iemand te laten reageren, of als iemand helemaal niet reageert.

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Afwijkingen in bewustzijn
Herseninfarct, Hersenbloeding, hersenschudding, zuurstoftekort, overdosis (Medicatie), te hoge of te lage bloedsuiker, Koorts of hyperthermie, delier, epilepsie

Slide 41 - Tekstslide

Bij voldoende tijd over: De studenten zelf laten uitwerken.
Leerdoelen
Deel 1:
  • De student  kan de vitale functies benoemen
  • De student weet wat een bloeddruk is en kent de achterliggende theorie
  • De student weet wat een hartslag is en kent de achterliggende theorie
Deel 2:
  • De student weet wat de ademhaling is en kent de achterliggende theorie
  • De student weet wat een saturatie is en kent de achterliggende theorie
  • De student weet hoe hij de temperatuur kan meten en kent de achterliggende theorie
  • De student kent de aandachtspunten als vz/vp'r bij het bewustzijn en kent de achterliggende theorie.





Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies