Herhalingsles Havo 2 - Gouden Eeuw

Gouden Eeuw
De Republiek in de tijd van regenten en vorsten
1600 - 1700
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

Gouden Eeuw
De Republiek in de tijd van regenten en vorsten
1600 - 1700

Slide 1 - Tekstslide

Vandaag
  • Korte herhaling van de toetsstof met belangrijke begrippen
  • Tussendoor meerkeuzevragen
  • Materiaal van mij
  • Mogelijkheid tot stellen vragen en maken socrative

Slide 2 - Tekstslide

Inhoud toets
De paragrafen 
3.2 - Amsterdam stapelmarkt van de wereld
3.3 - De Oost en de VOC
3.4 - De WIC en Suriname
3.5 - Geloof, tolerantie en onderzoek

Slide 3 - Tekstslide

3.2 - Amsterdam stapelmarkt van de wereld
  • Verstedelijking, stapelmarkt en moedernegotie
  •  Handelskapitalisme en immigratie
  • Commerciële nijverheid en landbouw

Slide 4 - Tekstslide

Waarom moest de Republiek graan uit het oostzeegebied halen? (Dit werd later de moedernegotie.)
A
Graan kon niet makkelijk verbouwd worden op het zompige, natte land.
B
Boeren vroegen te hoge prijzen voor hun graan.
C
Er werd weinig graan verbouwd in Nederland, omdat mensen het niet lekker vonden.
D
Mensen trokken naar de steden. Te weinig boeren om graan te produceren.

Slide 5 - Quizvraag

Wat is moedernegotie?
A
De handel die ervoor zorgt dat er genoeg graan was voor de inwoners van de Republiek.
B
Amsterdam wordt de stapelmarkt en daarmee het centrum van de wereld.
C
Oostzeehandel in graan wordt basis voor handel Republiek. Republiek wordt rijk door Oostzeehandel.
D
De steden in de Republiek beginnen met commerciële nijverheid en boeren met commerciële landbouw.

Slide 6 - Quizvraag

Leg in je eigen woorden uit wat handelskapitalisme is. Gebruik een voorbeeld!

Slide 7 - Open vraag

Waar vandaan kwamen veel migranten naar de Republiek?
A
Antwerpen en Duitsland
B
Italië en Frankrijk
C
Berlijn en Londen
D
Zweden en Helsinki

Slide 8 - Quizvraag

Om welke twee redenen migreerden inwoners vanuit Antwerpen en Duitsland naar de Republiek?

Slide 9 - Open vraag

In de steden werd er meer aan commerciële nijverheid gedaan. Waarom?
A
Commerciële nijverheid is een snelle en efficiënte manier van produceren.
B
Daar hadden ze gewoon zin in.
C
De nijverheid bestond met bestaan. Het was nieuw in de Republiek.
D
Door de welvaart maakten de steden niet alleen producten voor zichzelf, maar ook voor handel.

Slide 10 - Quizvraag

Leg in je eigen woorden uit waarom de moedernegotie zorgde voor commerciële landbouw in de Republiek.

Slide 11 - Open vraag

3.3 - De Oost en de VOC
  • De VOC ontstaat
  • Aandelen
  • Handelsfactorijen en inter-Aziatische handel
  • Handelsmonopolie en Banda-Eilanden 

Slide 12 - Tekstslide

In 1602 ontstond de VOC. Waarom?
A
Voorcompagnieën waren uitermate inefficiënt. De schepen waren te traag.
B
Door concurrentie tussen voorcompagnieën bleven prijzen laag. Geld ging verloren.
C
De VOC had als doel om de Spanjaarden dwars te zitten.
D
Omdat de Republiek de handel wilde uitbreiden.

Slide 13 - Quizvraag

Wie bestuurden de VOC?
A
De stadhouder
B
Johan van Oldenbarnevelt
C
Heren Zeventien
D
De grootste stad

Slide 14 - Quizvraag

Waarom stichtte de VOC handelsfactorijen?
A
Vanuit centrale punten in Indië werd gemakkelijker gehandeld.
B
Door handelsfactorijen was de VOC constant aanwezig in Indië.
C
De handelsfactorijen waren grote gebouwen. Het handelsgebied kon dan verdedigd worden.

Slide 15 - Quizvraag

Wat is inter-Aziatische handel?
A
Handel tussen de VOC en Spanje in Azië
B
Handel tussen Europa en Azië via het Midden-Oosten.
C
Handel tussen Aziatische landen waar de VOC aan mee ging doen.
D
De handel tussen China en Japan die vandaag de dag nog steeds bestaat.

Slide 16 - Quizvraag

3.4 - De WIC en Suriname
  • Kaapvaart en kolonies 
  • Kolonies lukt niet -> slavenhandel
  • Driehoekshandel  en wereldeconomie
  • Leven op het schip

Slide 17 - Tekstslide

Wat waren de twee doelen van de WIC toen hij werd opgericht?
A
Slavenhandel
B
Stichten van kolonies
C
Kaapvaart tegen Spanje
D
inter-Aziatische handel

Slide 18 - Quizvraag

Waar ging de WIC na 20 jaar proberen kolonies te stichten zich op richten?
A
trans-Aziatische slavenhandel
B
inter-Aziatische handel
C
trans-Atlantische slavenhandel
D
inter-Afrikaanse handel

Slide 19 - Quizvraag

Leg uit hoe de Atlantische driehoekshandel ontstond.

Slide 20 - Open vraag

Wat is een wereldeconomie?
A
In de Republiek werden handelsstromen van Afrika en Azië aan elkaar gekoppeld.
B
In de Republiek werd de oostzeehandel gekoppeld aan de Middellandse zeehandel.
C
In de Republiek werden handelsstromen van Duitsland en Frankrijk aan elkaar gekoppeld.
D
In de Republiek werden meerdere handelsstromen over de hele wereld aan elkaar gekoppeld.

Slide 21 - Quizvraag

3.5 - Geloof, tolerantie en onderzoek
  • Tolerantie en godsdienst
  • Tolerantie en wetenschap
  • Spinoza, Van Leeuwenhoek en Huygens
  • Rationalisme en wetenschappelijke revolutie 

Slide 22 - Tekstslide

Wat betekent het woord tolerantie?
A
Dat je mensen die anders denken/geloven dan jij accepteert.
B
Dat je alles goed vindt.
C
Dat je mensen wil vervolgen, omdat ze een andere mening hebben dan jij.
D
Dat iedereen mag zeggen wat hij of zij wil.

Slide 23 - Quizvraag

Wat is een schuilkerk?
A
Een katholieke kerk die er van de buitenkant niet uitzag als een kerk.
B
Een kerk waarin je kon schuilen voor bombardementen.
C
Een kerk waar ook protestanten mochten komen.
D
Een gebouw waarin geschuild kon worden als er mensen vervolgd werden om hun geloof.

Slide 24 - Quizvraag

Wie was Spinoza?
A
Hij vond de microscoop uit.
B
Hij bedacht dat je God alleen met je verstand kon vinden en niet door de Bijbel te lezen.
C
Hij vond de telescoop uit.
D
Hij bedacht dat je met je verstand moest kijken naar andere mensen.

Slide 25 - Quizvraag

Leg in je eigen woorden uit waarom de tolerantie in de Republiek zorgde voor het ontstaan van de wetenschappelijke revolutie.

Slide 26 - Open vraag