In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 40 min
Onderdelen in deze les
proefwerk thema 5
stevigheid en beweging
Oefentoets
Stevigheid en beweging
B1 en B2
Slide 1 - Tekstslide
Oefentoets thema 4: Stevigheid en beweging
De toets bestaat uit 18 vragen.
Het zijn 8 open vragen, 9 meerkeuze vragen en 1 sleepvraag.
Alle leerlingen krijgen de vragen door elkaar heen.
Lees de vragen goed en rustig door.
Afbeeldingen kun je inzoomen door er op te klikken
Je hebt 40 minuten de tijd voor het maken van de toets
Slide 2 - Tekstslide
Het komt soms voor dat een baby van een grote hoogte valt, bijvoorbeeld tijdens het verschonen. Toch breken baby’s vrijwel nooit hun armen of benen, terwijl een kleuter aan een val van dezelfde hoogte wel vaker een botbreuk overhoudt. Waardoor breken baby’s minder ?
snel hun armen en benen dan kleuters?
Slide 3 - Open vraag
Wat zijn de 5 functies van het skelet?
Slide 4 - Open vraag
Noteer nummer 1 t/m 6
Schrijf er achter hoe het deel van
het skelet heet.
Slide 5 - Open vraag
Noteer nummer 7 t/m 12 Schrijf er achter hoe het deel van het skelet heet.
Slide 6 - Open vraag
Welke 3 verschillende botten vormen samen de borstkas?
Slide 7 - Open vraag
Welk bot op de rontgenfoto is vastgezet met pinnen om te herstellen van een breuk?
Slide 8 - Open vraag
Noteer de nummers (1 en 2) en schrijf de juiste naam erbij.
Slide 9 - Open vraag
Wanneer een baby geboren wordt, zijn de fontanellen nog niet dichtgegroeid. Waarom is dat belangrijk?
Slide 10 - Open vraag
Van twee varkens wordt bepaald hoeveel collageen (lijmstof) een rib bevat. De rib van varken 1 bevat veel meer lijmstof dan de rib van varken 2. Welk varken is het jongst?
A
Varken 1
B
Varken 2
Slide 11 - Quizvraag
In beenweefsel komen kalkzouten en collageen (lijmstof) voor.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 12 - Quizvraag
Kalkzouten zorgen voor de buigzaamheid van beenweefsel.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 13 - Quizvraag
In een botje dat in verdund zoutzuur heeft gelegen, komen geen kalkzouten meer voor.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 14 - Quizvraag
Welke van de vier antwoorden is juist?
A
4 = voorhoofdsbeen;
9 = wiggenbeen
B
5 = wandbeen;
6 = neusbeen
C
7 = slaapbeen;
9 = jukbeen
D
5 = achterhoofdsbeen;
1 = bovenkaak
Slide 15 - Quizvraag
Welk deel van de wervelkolom zit vast aan je heupbeenderen?
A
Staartbeen
B
Wervelkolom
C
Lendenwervels
D
Heiligbeen
Slide 16 - Quizvraag
Tot welke beenderengroep behoort het hielbeen? En het heiligbeen?
A
Het hielbeen behoort tot de voetwortelbeentjes en het heiligbeen tot de bekkengordel.
B
Het hielbeen behoort tot de middenvoetsbeentjes en het heiligbeen tot de bekkengordel.
C
Het hielbeen behoort tot de voetwortelbeentjes en het heiligbeen tot de borstwervels.
D
Het hielbeen behoort tot de middenvoetsbeentjes en het heiligbeen tot de borstwervels.
Slide 17 - Quizvraag
Welk type weefsel zie je op de afbeelding?
A
kraakbeenweefsel
B
lijmstofweefsel
C
kalkweefsel
D
botweefsel
Slide 18 - Quizvraag
Uit welke delen bestaat het skelet?
A
Schedel en ledematen en armen
B
Romp, ledematen en armen en benen
C
Schedel, romp, ledematen
D
Schedel, romp, ledematen en armen en benen
Slide 19 - Quizvraag
Verbind de juiste namen aan de nummers.
Je hoeft niet alle namen te gebruiken.
heiligbeen
sleutelbeen
borstwervels
borstbeen
schouderblad
lendenwervels
halswervels
staartbeen
beenwervels
Slide 20 - Sleepvraag
Dit was de toets. Kijk alles nog eens goed na!
Klik dan op het kruisje rechts onderin en lever je toets in.