les 2 periode 3 PMC Quiz pedagogische vaardigheden

Pedagogisch Klimaat
Periode 3
les 1
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
Pedagogisch werkMBOStudiejaar 3,4

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Pedagogisch Klimaat
Periode 3
les 1

Slide 1 - Tekstslide

Wat zijn pedagogische vaardigheden?
A
Vaardigheden die in de kinderopvang worden ingezet om kinderen te verzorgen. 
B
Vaardigheden die ouders gebruiken om hun kind op te voeden.
C
Vaardigheden die je als opvoeder gebruikt waardoor het kind zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen.
D
Vaardigheden die je in het onderwijs inzet om goed les te kunnen geven.

Slide 2 - Quizvraag

Wat betekent empathisch vermogen?
A
Meeleven met de ander.  
B
Laten zien dat je om een ander geeft.
C
Je verplaatsen in de positie van een ander.
D
De emoties van de anderen lezen.

Slide 3 - Quizvraag

Wat is een juist voorbeeld van 'respect hebben' voor het kind?
A
Naar het kind luisteren.  
B
Streng en consequent zijn.
C
Het kind niet uit laten praten.
D
Lief zijn voor het kind.

Slide 4 - Quizvraag

Een kind mag zelf proberen zijn jas aan te trekken, ook al duurt dit langer. Welke vaardigheid laat de medewerker zien?
A
Aansluiten
B
Aandacht hebben
C
Ruimte geven voor oefenen en zelfstandigheid
D
Betrokkenheid

Slide 5 - Quizvraag

Een pedagogisch medewerker past een activiteit aan omdat een kind het nog te moeilijk vindt. Welke vaardigheid hoort hierbij?
A
Aandacht hebben
B
Open en eerlijk zijn
C
Aansluiten
D
Betrokkenheid

Slide 6 - Quizvraag

Wat wordt bedoeld met de leefwereld van het kind?
A
De thuissituatie van een kind. 
B
De wereld waarin een kind leeft.
C
De dingen die een kind interessant vindt.
D
De waarden en normen die een kind thuis meekrijgt.

Slide 7 - Quizvraag

Hoe krijg je een vertrouwensband met een kind?
A
Je krijgt vanzelf een band met een kind.
B
Kinderen vertrouwen iedereen zonder meer, je hoeft geen moeite te doen.
C
Je moet veel met het kind praten.
D
Door voorspelbaar en stabiel te reageren.

Slide 8 - Quizvraag

Wat is de belevingswereld van een kind?
A
De thuissituatie van een kind.
B
De manier waarop een kind de wereld om zich heen beleeft.
C
De waarden en normen die een kind thuis meekrijgt.
D
De manier waarop ouders/opvoeders met een kind omgaan. 

Slide 9 - Quizvraag

Waarom kun je tegen een kind niet alles vertellen wat er in jouw wereld speelt?
A
Daar kan een kind bang van worden.
B
Daar mag je ze niet mee lastig vallen.
C
Dan kun je ze met dingen belasten waar ze nog niet aan toe zijn.
D
Je mag geen persoonlijke dingen met kinderen delen.

Slide 10 - Quizvraag

Wat wordt bedoeld met betrokkenheid?
A
Dat betekent dat je je verbonden voelt met de kinderen met wie je werkt.
B
Dat betekent dat je ingrijpt wanneer je denkt dat een kind gevaar loopt.
C
Dat betekent dat je de opvoeding overneemt wanneer ouders dat niet meer kunnen.
D
Dat betekent dat je je betrokken voelt tot de thuissituatie van het kind.

Slide 11 - Quizvraag

Waarom is het met name niet goed om te veel over te nemen van het kind wanneer het iets nog niet zo goed kan en nog moet oefenen?
A
Dat kan schadelijk zijn voor het zelfvertrouwen. 
B
Dan duurt het langer voordat het kind het leert.
C
Dan zal het slechter naar je luisteren.
D
Dat kan ervoor zorgen dat het kind een achterstand oploopt.

Slide 12 - Quizvraag

Wat is opvoeden?

Slide 13 - Woordweb

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide