In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 120 min
Onderdelen in deze les
Schoonmaken
Schoonmaakmiddelen
Slide 1 - Tekstslide
Regels bij schoonmaken
Bekijk de ruimte vooraf. Bereid je voor.
Werk van schoon naar vuil.
Eerst droog, dan nat.
Werk van boven naar beneden.
De vloer is altijd als laatste.
Controleer na afloop de ruimte.
Ruim de schoonmaakspullen op.
Slide 2 - Tekstslide
Juul maakt schoon van achter naar voren. Is dit goed?
A
nee
B
ja
Slide 3 - Quizvraag
Jeffrey gaat de badkamer schoonmaken. Wat maakt hij als eerste schoon?
A
Toilet
B
Wasbak
C
Vloer
D
Spiegel
Slide 4 - Quizvraag
Een gouden regel bij schoonmaken is: werk van boven naar beneden
A
Waar
B
niet waar
C
Soms
Slide 5 - Quizvraag
Hoe moet je schoonmaakmiddelen gebruiken
A
Een klein beetje
B
Met een spons
C
Maakt niet uit
D
Volgens de instructies
Slide 6 - Quizvraag
Allesreiniger is een schoonmaakmiddel om
A
Sanitair mee schoon te maken
B
Om te vloer mee te dweilen
C
Interieur schoon te maken
D
de afwas mee af te wassen
Slide 7 - Quizvraag
Wat is dit voor schoonmaakmiddel?
A
Allesreiniger
B
Chloor
C
Afwasmiddel
D
Ruitenreiniger
Slide 8 - Quizvraag
Wat is GEEN schoonmaakmiddel?
A
Allesreiniger
B
Sanitairreiniger
C
Alcohol
D
Schuurmiddel
Slide 9 - Quizvraag
Wat is dit voor schoonmaakmiddel?
A
Afwasmiddel
B
Schuurmiddel
C
Schoonmaakazijn
D
Allesreiniger
Slide 10 - Quizvraag
Hoe heet dit schoonmaakmiddel?
A
Allesreiniger
B
Afwasmiddel
C
Schoonmaakazijn
D
Schuurmiddel
Slide 11 - Quizvraag
Wat is geen huishoudelijke taak?
A
Stoffen
B
Stofzuigen
C
Tandenpoetsen
D
Moppen
Slide 12 - Quizvraag
Gevarensymbolen
Gevaarlijke stoffen zijn herkenbaar aan gevarensymbolen
Elk gevaar heeft zijn eigen symbool
Als je werkt met gevaarlijke stoffen moet je jezelf beschermen
Slide 13 - Tekstslide
Wat betekent dit symbool?
A
Giftige stoffen
B
gevaar gezondheid
C
schadelijke of irriterende stoffen
D
gevaar milieu
Slide 14 - Quizvraag
Wat betekent dit symbool?
A
Niet in de wasbak doen
B
Alleen mengen met water
C
Niet mengen met andere middelen
Slide 15 - Quizvraag
Wat betekent dit symbool?
A
Let op: Botten in de grond
B
Let op: Gevaar
C
Let op: Giftig
D
Let op: Schadelijk
Slide 16 - Quizvraag
Wat betekent dit symbool?
A
Gevaar voor de gezondheid
B
Giftige stoffen
C
Gevaar voor het milieu
D
Schadelijke stoffen
Slide 17 - Quizvraag
Als je dit symbool ziet staan op een schoonmaakmiddel, waar moet je dan op letten bij het gebruik?
A
Handschoenen gebruiken
B
Niet mengen met andere schoonmaakmiddelen
C
Niet buiten gebruiken, het is slecht voor het milieu
D
Niet inademen of op de huid laten komen
Slide 18 - Quizvraag
Als je dit symbool ziet staan op een schoonmaakmiddel, waar moet je dan op letten bij het gebruik?
A
Handschoenen gebruiken
B
Niet mengen met andere schoonmaakmiddelen
C
Niet buiten gebruiken, het is slecht voor het milieu
D
Niet inademen
Slide 19 - Quizvraag
Als een schoonmaakmiddel schadelijk is voor het milieu wat voor symbool staat er dan op het product?
A
Allemaal afgestorven planten
B
Een grafsteen bij een boom
C
Een boom en een dood visje
D
Een ton met een gele sticker
Slide 20 - Quizvraag
Als een schoonmaakmiddel bijtend is wat voor symbool staat er dan op het product?
A
Reageerbuisjes
B
Een doodshoofd
C
Een handschoen
D
Een maatbeker
Slide 21 - Quizvraag
Waar staan de symbolen van een schoonmaakmiddel?
A
Op de dop
B
Op het etiket
C
Onder de verpakking
D
Op het schap in de winkel
Slide 22 - Quizvraag
Oefening
Haal bij je docent een schoonmaakmiddel.
Waar gebruik je dit schoonmaakmiddel voor?
Welk gevarensymbool staat er op?
Teken zelf een gevaren symbool.
Slide 23 - Tekstslide
Welke nieuwe woorden heb je geleerd tijdens deze lesson-up?
Slide 24 - Open vraag
Opdracht 'maak je eigen quiz'
Doe deze opdracht in een groep van twee. Maak een quiz over schoonmaakmiddelen en veiligheid. Theorie blz. 16 t/m 25 boekje 2 'Ruimtes gebruiksklaar maken' voor een voorbeeld.
De quizvragen gaan over veiligheid tijdens schoonmaken. Maak gebruik van plaatjes. Er moeten ook vragen in staan over veiligheid en schoonmaken. Maak de quiz op papier of maak een digitale quiz. Speel de quizzen in de klas. Terugkijken: geef de andere groep feedback op het spel.
Slide 25 - Tekstslide
Schoonmaken
Slide 26 - Woordweb
Welk schoonmaakmiddel heb jij bekeken? Waar is het voor?