2.1 in de tijd van burgers en stoommachines

In de tijd van burgers en stoommachines

rechtsstaat en democratie
1 / 60
volgende
Slide 1: Tekstslide
gesMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 60 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

In de tijd van burgers en stoommachines

rechtsstaat en democratie

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoel
je kunt uiteggen:
-  hoe NL een autoritaire constitutionele monarchie werd
- hoe NL een parlementair stelsel kreeg en 
- welke politieke stromingen er ontstonden en 
-hoe NL algemeen kiesrecht kreeg 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Beste leerlingen,

11 vragen om te controleren of jullie hebben opgelet en jullie huiswerk gemaakt hebben

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat gebeurde er in 1815?
A
België wordt onafhankelijk
B
Het Koninkrijk der Nederlanden ontstond
C
Duitsland werd een keizerrijk
D
De Franse Revolutie begint

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een constitutionele monarchie?
A
Koninkrijk met een grondwet
B
Koninkrijk zonder grondwet
C
Land met een grondwet maar geen koning
D
Koninkrijk met een absolute koning

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Koning Willem I had niet het recht om
A
ministers te ontslaan
B
parlementsleden te benoemen
C
misdadigers ter dood te veroordelen
D
alleen zelf de begroting van NL in te zien

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Het parlement bestaat uit:
A
Ministers en staatssecretarissen
B
Ministers en koningen
C
Eerste en Tweede Kamer
D
Eerste Kamer en ministers

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Door de grondwet van 1848 wordt Nederland nog geen volwaardige democratie omdat
A
alleen mensen met voldoende bezit mogen stemmen
B
alleen mensen die liberaal zijn mogen stemmen
C
alleen de koning bepaalde wie mocht stemmen
D
alleen mensen die in het parlement zaten mochten stemmen

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wie is deze man?
A
Willem I
B
Willem II
C
Thorbecke
D
Troelstra

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk woord past het beste bij liberalisme?
A
Gelovigen
B
Gelijkheid
C
Vrijheid
D
Communisme

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wie werden de belangrijkste tegenstanders van de liberalen?
A
de confessionelen
B
de socialisten
C
de conservatieven
D
de communisten

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

waar maakten de confessionelen zich sterk voor?
A
schoolstrijd
B
vrouwenrechten
C
kiesrechtstrijd
D
sociale kwestie

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wie was de eerste vrouwelijke parlementariër?
A
Hedy d'Ancona
B
Marge Klompe
C
Corry Tenderloo
D
Suze Groeneweg

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat wordt verstaan onder een autoritaire constitutionele monarchie?

Slide 14 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Autoritaire constitutionele monarchie
  • Hij werd gebruikt door de grote landen in Europa om een rol te spelen in een nieuw Europa nadat Napoleon werd verslagen. 

Want wat gebeurde er? 
  • 1789: Franse Revolutie
  • Tot 1813: Napoleon heerst over Europa
  • 1813: Volkerenslag bij Leipzig: Napoleon verslagen. Veel Europese gebieden weer vrij, waaronder de Nederlanden. 

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Restauratie: een Europees balans
Het Congres van Wenen (= Restauratie)
Na 1813 wilden de grootste Europese landen:
  • Groot-Brittannië
  • Oostenrijk
  • Pruisen
  • Rusland


Dat Frankrijk nooit meer de mogelijkheid zou krijgen om zo machtig te worden als onder Napoleon. Vooral de Britten wilden een ‘machtsevenwicht’: Geen enkel land op het Europese vasteland kon machtiger zijn dan een ander land.


Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Autoritaire constitutionele monarchie 

Maak vraag 2 op blz 44 

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

antwoord vraag 2 

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Willem I
  • Zoon stadhouder Willem V wordt koning van Nederland (inclusief België en Luxemburg): koning Willem I
  • Eenheidsstaat blijft bestaan
  • Grondwet blijft bestaan: constitutionele monarchie
  • Parlement (Eerst en Tweede kamer) met leden die benoemd werden
  • Ministers leggen verantwoording af aan de koning
Koning Willem I
1813-1840

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Koninkrijk der Nederlanden
1815
Belgische Opstand 
1830
Uit ontvredenheid over bestuur koning Willem I komen de Belgen in Opstand en stichten een eigen staat

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Hoe zag het bestuur van Nederland er uit 
tussen 1815-1848?

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In 1848 was koning Willem II bereid om een deel van zijn macht in te leveren. Geef hiervoor een verklaring

Slide 35 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


Revolutiejaar 
1848


  • Februari 1848: revoluties in Frankrijk, Oostenrijk, Duitsland, Italië, enz.
  • De ‘erfgenamen van de Franse Revolutie’, de Liberalen, komen tot de conclusie: "Alles is weer hetzelfde als vóór de Franse Revolutie!"
  • Overal zitten er weer koningen op de Europese tronen en ondanks 'een grondwet' is er maar weinig democratie.

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De grondwet van 1848


Welke belangrijke veranderingen werden er doorgevoerd in de grondwetswijziging van Thorbecke? 

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Hoe zag het bestuur 
van Nederland er 
vanaf 1848* uit?










*de meeste onderdelen zijn vandaag nog steeds geldig


Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 48 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 49 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 50 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 51 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 52 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 53 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Onder koning Willem I werd Nederland een constitutionele monarchie. Leg uit wat dit betekent

Slide 54 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

In 1848 was koning Willem II bereid om een deel van zijn macht in te leveren. Geef hiervoor een verklaring

Slide 55 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Thorbecke maakte de koning onschendbaar en de minsters verantwoordelijk. Aan wie moesten de ministers nu verantwoording afleggen?

Slide 56 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 57 - Tekstslide

Censuskiesrecht. Alleen rijke mannen boven de 23 jaar mochten stemmen (zo’n 11% van de mannelijke bevolking van Nederland in die tijd). Dit kun je aan de bron zien doordat de man in pak (= liberaal) tegen de arme magere man (met versleten kleding en gaten in zijn schoenen) zegt dat het makkelijk is om stemrecht te verkrijgen; hij moet alleen wel belasting betalen.

Door de grondwet van Thorbecke kreeg Nederland een parlementair stelsel. Het parlement kreeg de hoogste (wetgevende) macht. Toch kan je niet zeggen dat Nederland een volledige democratie werd. Leg dit met behulp van de bron uit.

Slide 58 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Waardoor kwam het socialisme op in 1890?

Slide 59 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk 
Doorlezen 2.2 en maken 2.1: vraag 6, 15 en 20 

Slide 60 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies