VRIJ 12/01/2024 2A + E - LEESVAARDIGHEID

1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 27 slides, met tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

NIEUWSBERICHT
Wat is een feit? 
Een feit is iets waarvan je zeker weet het waar is. Het is controleerbaar.  Dit doe je door onder andere betrouwbare bronnen te checken

Wat is een mening? 
Een mening is wat iemand ergens van vindt. Meningen kunnen verschillen. Feiten niet!


Slide 2 - Tekstslide

Quiz: feit of fabel?
Je krijgt enkele beweringen. Als je denkt dat het een feit is, doe je de groene post-it omhoog. Als je denkt dat het een fabel is, doe je rode post-it omhoog!
Feit = groen      Fabel = rood

Beweringen
1. Tv-kijken is slecht voor je ogen 
2. Hersenen van vrouw zijn kleiner dan die van mannen 
3. Van te weinig slaap, krijg je zin in snacks 
4. Van gewelddadige games word je agressief 
5. Zoete drop is zouter dan zoute drop                  
6. In Japan eten ze chocoladesaus bij de friet.



FEIT
Vaak zit er in zoete drop meer zout dan in zoute. Het zout helpt de smaak te versterken
FABEL
Veel ouders zeggen het, maar uit geen enkel onderzoek is gebleken dat veel staren naar een scherm slecht is voor je ogen.
FEIT
Toch presteren mannen en vrouwen hetzelfde. Dit komt omdat vrouwen efficiënter omgaan met hun hersenen. Het formaat van je hersenen zegt niet zoveel over hoe goed je hersnen werken.
FEIT
Rond Valentijnsdag kun je een McChoco Potato bestellen.
Feit
Wie vaak agressieve games speelt, heeft een grotere kans
zelf agressief te worden. Dat zegt de Amerikaanse professor Brad
Bushman, die veel wetenschappelijk onderzoek heeft gedaan naar
dit onderwerp. Ook volgens dr. Peter Nikken van het Nederlands
Jeugdinstituut kan mediageweld effect hebben op de emoties, de
houding en het gedrag van kinderen van verschillende leeftijden
FEIT 
Een slaaptekort geeft inderdaad trek. Uit onderzoek is
gebleken dat al na één nacht van minder dan vijf uur slaap een
verstoring van het hongerhormoon optreedt. Op de langere duur
kun je zelfs overgewicht krijgen door chronisch slaaptekort.
Welke beweringen vonden jullie lastig?
Wat kan je doen om te controleren of een bewering een feit of fabel is?

Slide 3 - Tekstslide

Om te checken of een verhaal klopt, moet je als journalist vooral nieuwsgierig zijn. Een journalist doet zijn uiterste best om alle details te controleren en het verhaal helemaal juist te maken. Het doel is om zo veel mogelijk informatie te verzamelen en ervoor te zorgen dat het verhaal compleet is. Journalisten doen dit door......

Ieder duo kiest een bewering. Verzamel zoveel mogelijk feiten en meningen over de bewering. Noteer de feiten, meningen, bronnen etc. Hoe hebben jullie aan waarheidsvinding gedaan zoals bronnen checken?
1. Vapen is net zo schadelijk als roken
2. Dierproeven zijn vanaf 2030 verboden
3. Steeds meer scholen worstelen met Gossip-Girl accounts
4. Een filterbubbel kan gevaarlijk zijn.
5. Steeds meer kinderen zijn hoogbegaafd
6. Een meerderheid in Nederland wil de kiesgerechtigde leeftijd verlagen naar 16 jaar. 
7. Het wordt verplicht voor leraren om een cursus 'social media' te volgen.
8. Duurzaamheid en klimaatverandering wordt een nieuw vak op de middelbare school
9. Striktere regels zijn nodig om online pesten tegen te gaan.
10. Fake news en mediawijsheid moeten op school worden onderwezen.
11. Klimaatverandering veroorzaakt extremere weersomstandigheden, zoals hittegolven en overstromingen.
12. Jongeren worden vaak blootgesteld aan druk en negatieve invloeden op hun zelfbeeld via social media.


Klaar? Schrijf een kort nieuwsbericht over de bewering. Let op dat je de 5w+1H methode toepast!

Slide 4 - Tekstslide

Lesprogramma kwintaal 3

Slide 5 - Tekstslide

Leerdoelen kwintaal 3
  • Hoofd- en bijzaken
  • Feiten, meningen en argumenten
  • Kernzinnen
  • Tekstverbanden en signaalwoorden
  • Kritisch lezen
  • Tekst en publiek

Slide 6 - Tekstslide

Hoofdzaken en bijzaken
De belangrijke informatie in een tekst noem je de hoofdzaken.
Wat niet zo belangrijk is zijn de bijzaken.

Slide 7 - Tekstslide

Hoofdzaken
Voorkeursplaatsen tekst:
Inleiding & slot

Voorkeursplaatsen alinea:
Kernzin

Slide 8 - Tekstslide

Hoofdzaken uit tekst halen
  • Onderstreep/markeer tijdens het lezen hoofdzaken

  • Let op voorkeursplaatsen (inleiding, slot, kernzinnen) en opvallend gedrukte woorden

  • Van de hoofdzaken kun je een samenvatting maken of een schema

Slide 9 - Tekstslide

Hoofdzaken
Hoe en waar vind je de hoofdzaken?

  • Vaak in de eerste, de tweede en/of de laatste zin van een alinea.
  • Daartussen staan vaak voorbeelden, toelichtingen of een verdere uitleg, dat zijn bijzaken.


Stel jezelf de volgende vragen:
  1. Heb ik deze zin nodig om de tekst/de alinea goed te begrijpen?
  2. Wat zegt deze zin over het (deel)onderwerp?
Hoofdzaken (structuur)
Hoofdzaken (structuur)
Bijzaken (vulling)

Slide 10 - Tekstslide

Klas 48 uur zonder telefoon
Leerlingen van de onderbouw van het Lorentz Lyceum uit Arnhem hebben onlangs succesvol meegedaan aan een experiment waarbij ze gedurende twee dagen geen mobiel, games of sociale media mochten gebruiken. ‘De No Phone Challenge was flink afkicken’, zegt de mentor. De leerlingen vonden zelf dat ze veel socialer waren, zowel in de klas als thuis. De pauzes leken langer en werden leuker bevonden. ‘We gingen spellen doen en ik sprak mijn klasgenoten meer’, somt een leerling op. ‘We hadden ook meer tijd voor huiswerk.’
Welke zin is de belangrijkste in deze tekst? Waarom?

Slide 11 - Tekstslide

wat is de kernzin van iedere alinea?

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Aan de slag
Nieuw Nederlands

Hoofd- en bijzaken en kernzinnen
Lees de theorie op blz. 12

Maak de oefeningen:
p. 13 opdracht 1 en 2


HUISWERK
p. 14 opdracht 3 - 1  t/m 12


Zelfstandig of tweetallen

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Feiten en meningen

Slide 16 - Tekstslide

Startopdracht
Schrijf op: 
Wat is een feit? 
Wat is een mening? 
Wat zijn argumenten?

Feiten: Noteer zoveel mogelijk feiten. Voorbeeld: het is vandaag vrijdag 12 januari. 
Mening: Noteer zoveel mogelijk voorbeelden van meningen. Voorbeeld: Het eten van vlees is zielig. 

Als de tijd voorbij is, bespreek je met een ander duo of je het eens bent dat het een feit of mening is

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Video

Feit
Een feit is iets wat werkelijk zo is
Een feit is iets wat echt is gebeurd
Een feit kun je controleren
Een feit is iets dat vaststaat en dat je kunt bewijzen (objectief)


Slide 19 - Tekstslide

Mening

Een mening is wat een persoon van iets vindt.
Een mening staat niet vast, het is persoonlijk en een mening kan per persoon verschillen (subjectief)

Andere woorden voor mening zijn:
standpunt, oordeel, opinie en opvatting.

Slide 20 - Tekstslide

Argument
Een goed argument is op feiten of concrete voorbeelden gebaseerd en is relevant voor je standpunt

Bijvoorbeeld:
Kinderen zouden dagelijks minstens 8 uur slaap moeten krijgen, want studies laten zien dat voldoende slaap hun concentratie verbetert en het risico op gezondheidsproblemen vermindert. 

Slide 21 - Tekstslide

FEIT OF MENING?

Slide 22 - Tekstslide

FEIT OF MENING?

Slide 23 - Tekstslide

FEIT OF MENING?

Slide 24 - Tekstslide

FEIT OF MENING?

Slide 25 - Tekstslide

Opdrachten
Nieuw Nederlands - blz. 102 + 103

Opdracht 1
Opdracht 2
Opdracht 3
Opdracht 4

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide