cross

Thema 6 Ecologie en duurzaamheid

Bas 1 Organismen en hun omgeving
Leerdoelen:
  • je kunt het verschil uitleggen tussen biotische factoren en abiotische factoren
  • je kunt de verschillende niveaus in de biologie onderscheiden
  • je kunt de voedselrelaties aangeven
  • Je kunt de verschillende piramides gebruiken
1 / 96
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 96 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 5 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Bas 1 Organismen en hun omgeving
Leerdoelen:
  • je kunt het verschil uitleggen tussen biotische factoren en abiotische factoren
  • je kunt de verschillende niveaus in de biologie onderscheiden
  • je kunt de voedselrelaties aangeven
  • Je kunt de verschillende piramides gebruiken

Slide 1 - Tekstslide

  • je kunt uitleggen waardoor bij accumulatie de hoogste schakel overlijdt 

Slide 2 - Tekstslide

Ecologie
Bestudeert de relaties tussen organismen en hun milieu.
De relatie werkt twee kanten op
Invloed op organisme leeft: biotisch
Invloed op organisme leeft niet: abiotisch

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Verschillende niveaus bij voedselrelaties:
producenten: maken organische stoffen uit anorganische stoffen via fotosynthese, zijn autotroof
consumenten: moeten organische stoffen opnemen, zijn heterotroof
reducenten: breken organische stoffen af in anorganische stoffen; bacteriën en schimmels

Slide 6 - Tekstslide

Organische stoffen zijn stoffen met én C, én H én O in het molecuul.
Een voedselketen geeft informatie over voedselrelaties tussen organismen. Elke voedselketen start altijd met een producent! Dit is dus de eerste schakel. Het organisme dat de producent eet (een planteneter of herbivoor) krijgt de pijl naar zich toe, die betekent: wordt gegeten door.

Slide 7 - Tekstslide

voedselketen

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Voedselweb

Slide 10 - Tekstslide

Piramides

Piramides van aantallen geven van elke schakel  van een voedselketen het aantal individuen weer.

Meestal is het aantal de volgende schakel kleiner, alleen bij de producenten klopt dit niet altijd.

Slide 11 - Tekstslide

wel een piramide
geen piramide door aantal producenten

Slide 12 - Tekstslide

Biomassa

  • Het totale gewicht van energierijke stoffen in een organisme. 
  • Per schakel is de totale hoeveelheid biomassa het totale gewicht van alle organismen van die schakel.
  • De biomassa's van alle schakels op elkaar: altijd een piramide.

Slide 13 - Tekstslide

biomassa per schakel in kg
piramide van biomassa

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Video

Bas 2 Voedselrelaties en kringlopen
Leerdoelen:
  • de definitie van autotroof en heterotroof kennen
  • water-, koolstof- en stikstofkringlopen kennen
  • je kent het verschil tussen biologisch afbreekbaar en niet-biologisch afbreekbaar
  • Je weet wat plastic soep is

Slide 17 - Tekstslide

Fotosynthese

Slide 18 - Tekstslide

voedselketen

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Definities
Autotrofe organismen: kunnen energiearme stoffen door fotosynthese omzetten in energierijke stoffen, voeden zich niet met andere organismen
Heterotrofe organismen: Kunnen zelf geen energierijke stoffen maken uit energiearme stoffen, moeten die binnenkrijgen met voedsel

Slide 21 - Tekstslide

waterkringloop

Slide 22 - Tekstslide

koolstofkringloop

Slide 23 - Tekstslide

stikstofkringloop

Slide 24 - Tekstslide

Biologisch afbreekbaar: afkomstig van planten en/of dieren

Slide 25 - Tekstslide


Denk aan al het plastic dat tot nu toe geproduceerd is op de hele wereld. Hoeveel procent zou daarvan gerecycled zijn? 

Slide 26 - Open vraag

Gyres: De vijf grote zeestromen 

Slide 27 - Tekstslide

Plastic vergaat niet.
Plastic wordt steeds
kleiner, het probleem
wordt steeds groter.

Slide 28 - Tekstslide

Plastic
  • niet biologisch afbreekbaar : persistent
  • microplastic
  • nanoplastic
  • opname in cellen

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Via de rivieren
komt het in
de oceaan.

Slide 31 - Tekstslide

De oceanen
raken vervuild.

Slide 32 - Tekstslide

Dieren raken verstrikt.

Slide 33 - Tekstslide

Dieren 
eten 
het op.

Slide 34 - Tekstslide

Wij eten 
het op.

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Bas 3 Samenleven
Leerdoelen:
  • Je kunt uitleggen wat biologisch evenwicht is
  • Je kunt uitleggen wat een optimum kromme is en deze aflezen en zelf maken
  • Je kunt de verschillende manieren van samenleven herkennen en toepassen

Slide 37 - Tekstslide

Populatiegrootte
  • Aantal organismen in een populatie hangt van verschillende factoren af (biotisch en abiotisch).
  • Soms grote populatie en soms klein. 
    Gemiddeld: biologisch evenwicht.

Slide 38 - Tekstslide

1ste jaar

Slide 39 - Tekstslide

2de jaar

Slide 40 - Tekstslide

3de jaar

Slide 41 - Tekstslide

4de jaar

Slide 42 - Tekstslide

Samengevat
de populatiegrootte schommelt elk jaar rondom een evenwichtswaarde
Biologisch evenwicht

Slide 43 - Tekstslide

Optimumkromme

Slide 44 - Tekstslide

Samenleven
  • Elk individu heeft een relatie met soortgenoten.
  • Gericht op concurrentie of op samenwerking.
  • Draait om voedsel en voortplanting.

Slide 45 - Tekstslide

Rangorde
  • 1 dier is de 'baas'.
  • Rest kent zijn plek.
  • Hebben van territorium --> minder kans op gevecht.
  • Territorium: gebied dat verdedigd wordt tegen soortgenoten.
  • Zorgt voor voedsel en voortplantingsplek.

Slide 46 - Tekstslide

1

Slide 47 - Video

1

Slide 48 - Video

Symbiose = samenleven van verschillende soorten
Er zijn 3 vormen van symbiose:
  • Mutualisme
  • Commensalisme 
  • Parasitisme

  • geen voordeel is
    geen symbiose

Slide 49 - Tekstslide

Relaties tussen soorten
afb.  Korstmos

Slide 50 - Tekstslide

Schimmels en algen
De schimmel zorgt voor water en een beschutte plek voor de alg.  De alg heeft bladgroen en kan aan fotosynthese doen.  Zo produceert ze voedsel voor de schimmel.
Hoe werken beiden samen?

Slide 51 - Tekstslide

Parasieten
  • Hierbij leeft een individu, de parasiet, op of in een individu van een andere soort, de
    gastheer.
  • Eén soort heeft voordeel, de ander een nadeel.

Slide 52 - Tekstslide

Muggen

Slide 53 - Tekstslide

Bas 4 Natuurbeheer
Leerdoelen:
  • Kunnen uitleggen dat de natuur in NL gereguleerd is door de mens
  • De manieren noemen en de verschillen kennen tussen behouden, beschermen en herstellen van natuur

Slide 54 - Tekstslide

Terugblik

Slide 55 - Tekstslide

Hoe heet deze vorm van symbiose?

Slide 56 - Open vraag

Hoe heet deze vorm van symbiose?

Slide 57 - Open vraag

Geef een voorbeeld van een biotische en abiotische factor waardoor een populatiegrootte kan veranderen

Slide 58 - Open vraag

Natuurbeheer

Slide 59 - Woordweb

De mens en zijn omgeving

Slide 60 - Tekstslide

Cultuurlandschap

Slide 61 - Tekstslide

Twee derde wordt gebruikt voor landbouw, de helft daarvan is grasland.

Slide 62 - Tekstslide

Invloed van de mens
Gevolg: diersoorten bedreigd, sterven uit, afnemende variatie, minder biodiversiteit

Slide 63 - Tekstslide

Slide 64 - Video

Natuurbeheer
Alle maatregelen om natuur te behouden, beschermen en te herstellen

Herintroductie (terugbrengen van dier-of plantensoort): vorm van natuurbeheer


Slide 65 - Tekstslide

Ecoduct: vorm van natuurbeheer

Slide 66 - Tekstslide

Slide 67 - Tekstslide

Natuurbeheerder

Slide 68 - Tekstslide

Pikorde
Bij kippen

Slide 69 - Tekstslide

Plastic vergaat niet.
Plastic wordt steeds
kleiner, het probleem
wordt steeds groter.

Slide 70 - Tekstslide

Bas 5 Energiestroom in een ecosysteem
Leerdoelen:
  • uitleggen wat een trofisch niveau in een voedselketen is
  • verschil in opbrengst uitleggen van verschillende trofische niveaus
  • biomassa volgen in een ecosysteem

Slide 71 - Tekstslide

De verschillende schakels van een voedselketen noemt men trofische niveaus. Producenten zijn het eerste trofische niveau, consumenten 1e orde het tweede trofische niveau, etc.

Als organismen opgegeten worden, worden hun energierijke stoffen doorgegeven aan het volgende trofische niveau. Zodoende is er ook sprake van een energiestroom van het ene niveau naar het volgende niveau.

Slide 72 - Tekstslide

In elke schakel verdwijnt energie uit de voedselketen:

  • sommige individuen sterven zonder dat zij gegeten zijn
  • uitwerpselen bevatten nog energierijke stoffen
  • brandstoffen die verbruikt worden voor beweging, etc
  • de rest kan gebruikt worden als bouwstof en doorgegeven worden aan de volgende schakel

Slide 73 - Tekstslide

Slide 74 - Tekstslide

Bas 6 Populaties
Leerdoelen:
  • inzicht dat optimumkromme voor bijna alle factoren die een populatie beïnvloeden te maken is
  • Optimumkromme maken en kunnen gebruiken

Slide 75 - Tekstslide

Populaties

De grootte is afhankelijk van de omstandigheden: zijn deze gunstig, dan kan de populatie groter worden, zijn deze ongunstig, dan zal deze kleiner worden. Meestal schommelt de populatiegrootte om een evenwichtswaarde: het biologische evenwicht. Elke factor heeft invloed op de grootte en kunnen niet onder een minimum zakken of boven een maximum uitkomen. De meest gunstige waarde is het optimum.

Slide 76 - Tekstslide

optimumkromme

Slide 77 - Tekstslide

Bas 7 Successie
Op kale grond, een kale rots, nieuwe duin zal na verloop van tijd begroeid raken met korstmossen of kleine planten. Deze eerste vegetatie heten pioniers. Zij zijn erg tolerant wat de abiotische factoren als temperatuur betreft.
Deze planten trekken dieren aan, het eerste pionierecosysteem is ontstaan. Hierdoor worden de omstandigheden gunstiger voor nieuwe soorten om zich hier te vestigen.

Slide 78 - Tekstslide

Door doodgaan van planten en dieren ontstaat humus, waardoor de omstandigheden sterk verbeterd zijn. Hierdoor kunnen grotere planten op deze plek groeien, grotere dieren zich hier vestigen en het pionierecosysteem gaat over in een ander ecosysteem. Dit maakt de omstandigheden nóg gematigder, zodat weer andere planten en dieren zich hier vestigen: er is sprake van successie.

Slide 79 - Tekstslide

pioniersvegetatie
andere planten en dieren kunnen zich vestigen

Slide 80 - Tekstslide

struiken komen en grotere dieren
uiteindelijk komt er bos: het climaxecosysteem

Slide 81 - Tekstslide

Slide 82 - Link

Bas 8 Aanpassingen bij dieren
Dieren zoals die op dit moment leven, zijn het resultaat van aanpassing aan de omgeving waarin zij leven en waaraan zij het beste aangepast zijn, wat ook aan de nakomelingen doorgegeven wordt. Het aanpassen aan de omstandigheden noemt men adaptatie.

Slide 83 - Tekstslide

Mogelijke aanpassingen:
  • aan water: kieuwen, stroomlijn, waardoor minder weerstand van het water plaatsvindt, ondanks groot gewicht geen zwaar skelet.
  • aan land: bij groter gewicht een zwaarder skelet en stevige poten, aan ondergrond: harde ondergrond: topganger, zachte ondergrond: zoolganger.

Slide 84 - Tekstslide

poten van vogels

Slide 85 - Tekstslide

snavels van vogels

Slide 86 - Tekstslide

kegelsnavel: om zaden te kraken
pincetsnavel: om insecten uit schuilplaats te pikken
haaksnavel: vlees in stukken scheuren
priemsnavel: in de bodem van ondiep water dieren zoeken
zeefsnavel: wateroppervlak afslobberen naar organismen

Slide 87 - Tekstslide

Slide 88 - Link

Bas 9 Aanpassingen bij planten

De twee uitersten qua aanpassing aan licht zijn de zonplanten, die veel licht nodig hebben om te kunnen groeien en schaduwplanten, die optimaal groeien bij weinig licht.

Ook aanpassingen aan de hoeveelheid beschikbaar water is zichtbaar bij planten: de planten die weinig water krijgen, hebben kleine, dikke bladeren en een groot wortelstelsel.

Planten in het water hebben soms wortels, soms niet,

Slide 89 - Tekstslide

Slide 90 - Link

Bas 10 Samenleven

Relaties: met soortgenoten

Gaat altijd om voedsel en voortplanten. Hierbij kan competitie (concurrentie) of samenwerking plaatsvinden.

De relaties lopen alleen soepel als er 'afspraken' staan over rangorde (apen), territorium (wolf), staten (bijen).

Slide 91 - Tekstslide

relaties tussen 2 soorten

Slide 92 - Tekstslide

Bas 11 De bodem
Leerdoelen:
  • het verschil in bodemeigenschappen tussen zand en klei kennen
  • weten wat humus is

Slide 93 - Tekstslide

De bodem

Slide 94 - Tekstslide

Humus is belangrijk voor de bodem. Door reducenten worden organische stoffen omgezet in anorganische stoffen. Deze worden door planten als fosfaat, nitraat en andere zouten opgenomen.

Slide 95 - Tekstslide

Slide 96 - Video