Thema 6 Ecologie en duurzaamheid

Bas 1 Organismen en hun omgeving
Leerdoelen:
  • je kunt het verschil uitleggen tussen biotische factoren en abiotische factoren
  • je kunt de verschillende niveaus in de biologie onderscheiden
  • je kunt de voedselrelaties aangeven
  • Je kunt de verschillende piramides gebruiken
1 / 177
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 177 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 14 videos.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Bas 1 Organismen en hun omgeving
Leerdoelen:
  • je kunt het verschil uitleggen tussen biotische factoren en abiotische factoren
  • je kunt de verschillende niveaus in de biologie onderscheiden
  • je kunt de voedselrelaties aangeven
  • Je kunt de verschillende piramides gebruiken

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

  • je kunt uitleggen waardoor bij accumulatie de hoogste schakel overlijdt 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ecologie
Bestudeert de relaties tussen organismen en hun milieu.
De relatie werkt twee kanten op
Invloed op organisme leeft: biotisch
Invloed op organisme leeft niet: abiotisch

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Organische stoffen zijn stoffen met én C, én H vaak O in het molecuul.
Een voedselketen geeft informatie over voedselrelaties tussen organismen. Elke voedselketen start altijd met een producent! Dit is dus de eerste schakel. Het organisme dat de producent eet (een planteneter of herbivoor) krijgt de pijl naar zich toe, die betekent: wordt gegeten door.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

voedselketen

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

wordt gegeten door

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voedselweb

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

wel een piramide
geen piramide door aantal producenten
geven het aantal individuen weer

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Biomassa

  • Het totale gewicht van energierijke stoffen in een organisme. 
  • Per schakel: totale hoeveelheid biomassa van alle organismen.

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

biomassa per schakel in kg
piramide van biomassa

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gifstof wordt niet afgebroken, dus blijft gelijk;
biomassa wordt kleiner.

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 15 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Herhaling
1. Wat zijn biotische factoren?
2. Waarom zitten afvaleters in een voedselweb?
3. Welke van de twee piramides is altijd een echte piramide?
4. Welke niveaus worden in de ecologie gebruikt?
5. Wat is accumulatie?

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bas 2 Voedselrelaties en kringlopen
Leerdoelen:
  • de definitie van autotroof en heterotroof kennen
  • water-, koolstof- en stikstofkringlopen kennen
  • je kent het verschil tussen biologisch afbreekbaar en niet-biologisch afbreekbaar
  • Je weet wat plastic soep is

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Fotosynthese

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Definities
Autotrofe organismen: kunnen energiearme stoffen door fotosynthese omzetten in energierijke stoffen, voeden zich niet met andere organismen
Heterotrofe organismen: Kunnen zelf geen energierijke stoffen maken uit energiearme stoffen, moeten die binnenkrijgen met voedsel

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

niveaus bij voedselrelaties
producenten: maken energierijke stoffen uit energiearme stoffen via fotosynthese, zijn autotroof
consumenten: moeten energierijke stoffen opnemen, zijn heterotroof
reducenten: breken energierijke stoffen af in energiearme stoffen; bacteriën en schimmels

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

waterkringloop

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

koolstofkringloop

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

stikstofkringloop

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Biologisch afbreekbaar: afkomstig van planten en/of dieren

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Denk aan al het plastic dat tot nu toe geproduceerd is op de hele wereld. Hoeveel procent zou daarvan gerecycled zijn? 

Slide 25 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Gyres: De vijf grote zeestromen 

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Plastic vergaat niet.
Plastic wordt steeds
kleiner, het probleem
wordt steeds groter.

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Plastic
  • niet biologisch afbreekbaar : persistent
  • microplastic
  • nanoplastic
  • opname in cellen

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Via de rivieren
komt het in
de oceaan.

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De oceanen
raken vervuild.

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dieren raken verstrikt.

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dieren 
eten 
het op.

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wij eten 
het op.

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. Wat is de definitie van autotroof?
2. Waardoor staan reducenten niet in een voedselketen?
3. Uit welke organismen bestaan reducenten?
4. Noem twee processen van de koolstofkringloop.
5. In welke voedingsstof komt opgenomen stikstof terecht?
6. Wanneer is afval biologisch afbreekbaar en wanneer niet?
7. Wat is plastic soep?

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bas 3 Samenleven
Leerdoelen:
  • Je kunt uitleggen wat biologisch evenwicht is
  • Je kunt uitleggen wat een optimum kromme is en deze aflezen en zelf maken
  • Je kunt de verschillende manieren van samenleven herkennen en toepassen

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Populatiegrootte
  • Aantal organismen in een populatie hangt van verschillende factoren af (biotisch en abiotisch).
  • Soms grote populatie en soms klein. 
    Gemiddeld: biologisch evenwicht.

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Biologisch evenwicht

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

de populatiegrootte schommelt elk jaar rondom een evenwichtswaarde
Biologisch evenwicht

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Optimumkromme 

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Samenleven
  • Elk individu heeft een relatie met soortgenoten.
  • Gericht op concurrentie of op samenwerking.
  • Draait om voedsel en voortplanting.

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rangorde
  • 1 dier is de 'baas'.
  • Rest kent zijn plek.
  • Hebben van territorium --> minder kans op gevecht.
  • Territorium: gebied dat verdedigd wordt tegen soortgenoten.
  • Zorgt voor voedsel en voortplantingsplek.

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1

Slide 44 - Video

Deze slide heeft geen instructies

1

Slide 45 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Symbiose = samenleven van twee verschillende soorten
Er zijn 3 vormen van symbiose:
  • Mutualisme
  • Commensalisme 
  • Parasitisme

  • niemand voordeel 
is geen symbiose

Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Muggen

Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Relaties tussen soorten
afb.  Korstmos
Mutualisme

Slide 48 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Schimmels en algen
De schimmel zorgt voor water en een beschutte plek voor de alg.  De alg heeft bladgroen en kan aan fotosynthese doen.  Zo produceert ze voedsel voor de schimmel.
Hoe werken beiden samen?
Mutualisme

Slide 49 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Parasieten
  • Hierbij leeft een individu, de parasiet, op of in een individu van een andere soort, de
    gastheer.
  • Eén soort heeft voordeel, de ander een nadeel.

Slide 50 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

  • Wat wordt bedoeld met 
biologisch evenwicht?
  • Noem twee zaken waar het samenleven van organismen om draait.
  • Wat is een territorium?
  • Wat is symbiose?
  • Welke drie vormen van symbiose zijn er?

Slide 51 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Terugblik

Slide 52 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe heet deze vorm van symbiose?

Slide 53 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe heet deze vorm van symbiose?
darmen
hond met spoelworm

Slide 54 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Geef een voorbeeld van een biotische en abiotische factor waardoor een populatiegrootte kan veranderen

Slide 55 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Bas 4 Natuurbeheer
Leerdoelen:
  • Kunnen uitleggen dat de natuur in Nl gereguleerd is door de mens
  • De manieren noemen en de verschillen kennen tussen behouden, beschermen en herstellen van natuur

Slide 56 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Natuurbeheer

Slide 57 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

De mens en zijn omgeving

Slide 58 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Cultuurlandschap

Slide 59 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Twee derde wordt gebruikt voor landbouw, de helft daarvan is grasland.

Slide 60 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Invloed van de mens
Gevolg: diersoorten bedreigd, sterven uit, afnemende variatie, minder biodiversiteit

Slide 61 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 62 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Natuurbeheer
Alle maatregelen om natuur te behouden, beschermen en te herstellen

Herintroductie (terugbrengen van dier-of plantensoort): vorm van natuurbeheer


Slide 63 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ecoduct: vorm van natuurbeheer

Slide 64 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 65 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Natuurbeheerder

Slide 66 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

  • Wat wordt bedoeld met natuurbeheer?
  • Wat is het gevolg van de aantasting van land en water door de mens?
  • Welke functie heeft een ecoduct?
  • Hoezo zijn runderen natuurbeheerders?

Slide 67 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bas 5 Mens en milieu
Leerdoelen:
  • Je kunt enkele oorzaken en gevolgen van uitputting en vervuiling beschrijven.
  • Je kunt enkele oorzaken en gevolgen van klimaatverandering beschrijven.
  • Je kunt uitleggen wat het broeikaseffect is en wat het versterkte broeikaseffect is

Slide 68 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Milieuproblemen
Uitputting
- Stoffen uit het milieu

Vervuiling
- Stoffen aan het milieu toevoegen

Slide 69 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Uitputting
Grondstoffen
- Aardolie, fossiele brandstoffen, zand en metaalerts (oa voor mobieltjes)

Monocultuur
elk jaar dezelfde planten verbouwen en oogsten -->  bodem uitgeput -> niet genoeg mineralen


Slide 70 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 71 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Slide 72 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vervuiling
Land bemesten
- Stikstof 

Stikstof in grondwater en lucht -> Luchtvervuiling 


Slide 73 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vervuiling
Bodemvervuiling
- afval chemische industrie

Watervervuiling
- Chemische gewasbeschermingsmiddelen

Slide 74 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 75 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 76 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Klimaatverandering
Het gemiddelde weertype over een lange periode is veranderd

Zeespiegelstijging

Verdroging
- woestijnen worden groter

Slide 77 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 78 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 79 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 80 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 81 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 82 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 83 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 84 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 85 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 86 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 87 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 88 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 89 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 90 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Atmosfeer

Slide 91 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 92 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 93 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 94 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 95 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 96 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 97 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 98 - Video

Deze slide heeft geen instructies

  • Wat is uitputting?
  • Noem twee oorzaken van uitputting;
  • Wat is vervuiling?
  • Noem twee voorbeelden van vervuiling;
  • Wat is het broeikaseffect?
  • Wat is het versterkte broeikaseffect?
  • Wat is het gevolg van het versterkte broeikaseffect?

Slide 99 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bas 6 Duurzaamheid
Leerdoelen:
  • Je kunt uitleggen wat de ecologische voetafdruk is
  • Je kunt uitleggen wat duurzaamheid is
  • Je kunt duurzame oplossingen voor milieuproblemen geven

Slide 100 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ecologische voetafdruk
Het land- en wateroppervlak dat nodig is voor de consumptie en afval.
Deze wordt uitgedrukt in hectare (ha, 100m x 100m).
Per persoon 1,7 ha beschikbaar, wij gebruiken 6,3 ha.

Slide 101 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 102 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ecologische voetafdruk

Slide 103 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Duurzaamheid
Betekent dat het milieu geen schade ondervindt van activiteiten.
  • Niet meer stoffen uit het milieu halen dan aangevuld kan worden
  • Niet meer stoffen toevoegen dan verwerkt kan worden
  • Belangrijk om de aarde niet te verpesten voor later: duurzame ontwikkeling.

Slide 104 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

duurzame oplossingen voor milieuproblemen
1. duurzame energie
2. duurzame grondstoffen
3. duurzame landbouw
4. minder vervuiling
5. minder broeikasgassen
6. zelf duurzame keuzen maken

Slide 105 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. Duurzame energie
Duurzame energie: geen milieuvervuiling, De bron raakt niet op:
Biomassa 
Windmolens
Zonnepanelen
Waterkracht

Slide 106 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

ook zijn er bezwaren tegen windmolens en zonnepanelen.
-Mensen vinden ze niet mooi.
-Geluidsoverlast windmolens.
-Geen wind en /of geen zon = geen energie.


Kernenergie dan? Afval is gevaarlijk (radioactief).

Slide 107 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

2. Duurzame grondstoffen
Door hergebruik en recycling hoeven minder nieuwe grondstoffen te worden gebruikt.


Hergebruik: voorwerp wordt opnieuw gebruikt

Recycling: afvalproducten worden als grondstof gebruikt voor nieuwe producten.

Slide 108 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3. Duurzame landbouw
Stadslandbouw
Verticale landbouw
Precisielandbouw
Kringlooplandbouw
Biologische landbouw


                    


<a href="https://www.youtube.com/watch?v=cuqjdp5HvzY&amp;t=6s">https://www.youtube.com/watch?v=cuqjdp5HvzY&amp;t=6s</a>
Kringloop
bio

Slide 109 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stadslandbouw
In stedelijke omgeving voedsel verbouwen
Minder transport.
                                  


Slide 110 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verticale landbouw 
Ruimte besparend

Door het spectrum van het
licht aan te passen naar de
behoefte van het gewas 
verkrijgen we een grote opbrengst

Slide 111 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Precisie landbouw
Door gebruik van GPS, sensoren, drones en data-analyse krijgen planten precies de juiste hoeveelheid water, meststoffen of gewasbescherming.

Slide 112 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kringlooplandbouw.
Afvalstoffen worden opnieuw 
gebruikt als bv. voedsel voor de 
bodem of voor dieren. 

 Ze gaan zuinig om met grondstoffen 
en ze zorgen voor zo min mogelijk 
vervuiling en uitputting.

Slide 113 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

 Biologische landbouw
-geen monocultuur
-vruchtwisseling
-geen kunstmest
-geen chemische gewasbestrijding
(onbespoten)
-dieren scharrelen
-natuurlijke bestrijding
-mechanische verwijdering van onkruid

Slide 114 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4. Minder vervuiling
Aanpassingen
- Schepen en fabrieken: niet lozen
- Auto’s: katalysator
- Fabrieken: filters
- Boeren: luchtfilter

Slide 115 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

5.Minder broeikasgassen
Minder gebruik fossiele brandstoffen voor bijv.  energie.
Zorgen dat koeien en schapen minder methaan produceren.
<a href="https://www.youtube.com/watch?v=miLV5WLp9hI">https://www.youtube.com/watch?v=miLV5WLp9hI</a>

Slide 116 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

6. Zelf duurzame keuzes maken

Slide 117 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Terugblik

Slide 118 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de definitie van ecologische voetafdruk?
Antwoord
Het land- en wateroppervlak dat nodig is voor de consumptie en afval.
timer
2:30

Slide 119 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Noem twee voorbeelden van duurzaamheid
Antwoord
Niet meer stoffen uit het milieu halen dan aangevuld kan worden;<div>Niet meer stoffen toevoegen dan verwerkt kan worden.</div>
timer
1:00

Slide 120 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Waar is het plaatje een vb van?
Boven situatie jaar 1, onder jaar 2.
timer
2:30

Slide 121 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Bas 7 Energiestroom in een ecosysteem
Leerdoelen:
  • uitleggen wat een trofisch niveau in een voedselketen is
  • verschil in opbrengst uitleggen van verschillende trofische niveaus
  • biomassa volgen in een ecosysteem

Slide 122 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De verschillende schakels van een voedselketen: trofische niveaus. 

Organismen opgegeten worden: energierijke stoffen worden doorgegeven. Dus sprake van energiestroom van ene niveau naar volgende niveau.



Slide 123 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Pikorde
Bij kippen

Slide 124 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Plastic vergaat niet.
Plastic wordt steeds
kleiner, het probleem
wordt steeds groter.

Slide 125 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Energie verdwijnt
  • individuen sterven zonder gegeten te zijn
  • uitwerpselen bevatten energierijke stoffen
  • brandstoffen worden verbruikt voor beweging, etc
  • restant gebruikt als bouwstof en doorgegeven aan volgende schakel

Slide 126 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 127 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Herhaling
  • Wat is het verschil tussen trofisch niveau en de termen producent, consument etc?
  • Door welke drie zaken verdwijnt energie van de ene schakel naar de volgende schakel?
  • Waardoor is het voor het milieu beter om een koudbloedig dier te eten dan een warmbloedig dier?

Slide 128 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bas 8 Voedselproductie
Leerdoelen:
  • Je kunt de drie soorten landbouw in Nederland benoemen;
  • Je kunt per type uitleggen hoe dit in Nederland gebruikt wordt;
  • Je kunt uitleggen hoe resistentie tegen een chemisch gewasbeschermingsmiddel ontstaat;
  • Je kunt de voordelen van biologische landbouw uitleggen.

Slide 129 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voedselproductie
akkerbouw: grotere schaal dan tuinbouw, relatief minder arbeid

Slide 130 - Tekstslide

3 soorten landbouw.
Akkerbouw, hele grote velden met gewassen.  Meestal Trekkers nodig voor bewerking land.
verbouwen van granen, aardappelen, maïs.
Veeteelt, houden van landbouwhuisdieren o.a.  voor productie van vlees, melk, wol

Tuinbouw, ook akkers met gewassen, maar ook kassen met gewassen en boomgaarden(fruitbomen bij elkaar op een stuk grond).
Verbouwen van groente, fruit en planten
Vroeger:
veel gemengde bedrijven:
enkele dieren,
veel soorten gewassen,
minder van ieder gewas op klein stuk grond

Slide 131 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tegenwoordig
Meer dieren, minder soorten gewassen, meer planten of dieren van dezelfde soort, groot stuk grond.

Slide 132 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nu: grote akkerbouwbedrijven

Slide 133 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Monocultuur
Wisselcultuur

Slide 134 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

grote veeteeltbedrijven

Slide 135 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

intensieve veehouderij---> weinig grond erom heen
bio-industrie of vee-industrie

Slide 136 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

  • veel dieren geven veel melk, vlees of eieren
  • dieren hebben vaak geen prettig leven
  • mestoverschot
  • milieuvervuiling

Slide 137 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

rekening houden met het milieu en de dieren

Slide 138 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Volle grondstuinbouw

Slide 139 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

glastuinbouw

Slide 140 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

*gunstige omstandigheden
voor groei
*hele jaar voedsel produceren
*lampen en kachels gebruiken 
veel energie
*CO2 bij verbranding in de lucht

Slide 141 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Chemische bestrijding
Nodig bij veel voedsel voor (plaag)dier.
Chemische bestrijdingsmiddelen (gif), heten over het algemeen pesticiden
- Insecticiden - tegen insecten
- Herbiciden - tegen onkruid

Voordelen: snel, goedkoop, effectief
Nadelen: Persistentie, resistentie, niet soort-specifiek, komt in drink- en grondwater terecht. 

Slide 142 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 143 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 144 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Biologische landbouw
  • Milieu sparen en voldoende voedsel produceren
  • Geen monocultuur, maar vruchtwisseling
  • Biologische bestrijdingsmiddelen
  • Meer ruimte

Slide 145 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Biologische bestrijding
Gewassen worden op een natuurlijke manier beschermd
  • Natuurlijke vijanden; deze kunnen de schadelijke dieren doden
  • Schadelijke dieren lokken of onvruchtbaar maken
  • Vruchtwisseling; door elk jaar een ander gewas te verbouwen voorkom je een plaag op een stuk land

Slide 146 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 147 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Insecten leveren veel vitamines, ijzer en eiwitten
Een oplossing voor het voedselprobleem
Weinig verlies door minder verbranding bij koudbloedig dier. 

Slide 148 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 149 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verstoord evenwicht
Haaien en koraal. De een kan niet zonder de ander.
Dat het aantal haaien bij koraalriffen aanzienlijk is afgenomen, is dan ook slecht nieuws voor de kraamkamers van de oceaan. 
Tijd om het evenwicht te herstellen.


Slide 150 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Koraal is...
A
een dier
B
een plant
C
een schimmel
D
een bacterie

Slide 151 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat denk je dat ze bedoelen met
'de kraamkamers van de oceaan'?
Wat zijn kraamkamers?

Slide 152 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Deze baby-haaien krijgen eigen koraalrif om te overleven

Slide 153 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wetenschappers bedenken manier om koraal te redden

Slide 154 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 155 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bas 6 Populaties
Leerdoelen:
  • inzicht dat optimumkromme voor bijna alle factoren die een populatie beïnvloeden te maken is
  • Optimumkromme maken en kunnen gebruiken

Slide 156 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Populaties

De grootte is afhankelijk van de omstandigheden: zijn deze gunstig, dan kan de populatie groter worden, zijn deze ongunstig, dan zal deze kleiner worden. Meestal schommelt de populatiegrootte om een evenwichtswaarde: het biologische evenwicht. Elke factor heeft invloed op de grootte en kunnen niet onder een minimum zakken of boven een maximum uitkomen. De meest gunstige waarde is het optimum.

Slide 157 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

optimumkromme

Slide 158 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bas 7 Successie
Op kale grond, een kale rots, nieuwe duin zal na verloop van tijd begroeid raken met korstmossen of kleine planten. Deze eerste vegetatie heten pioniers. Zij zijn erg tolerant wat de abiotische factoren als temperatuur betreft.
Deze planten trekken dieren aan, het eerste pionierecosysteem is ontstaan. Hierdoor worden de omstandigheden gunstiger voor nieuwe soorten om zich hier te vestigen.

Slide 159 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Door doodgaan van planten en dieren ontstaat humus, waardoor de omstandigheden sterk verbeterd zijn. Hierdoor kunnen grotere planten op deze plek groeien, grotere dieren zich hier vestigen en het pionierecosysteem gaat over in een ander ecosysteem. Dit maakt de omstandigheden nóg gematigder, zodat weer andere planten en dieren zich hier vestigen: er is sprake van successie.

Slide 160 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

pioniersvegetatie
andere planten en dieren kunnen zich vestigen

Slide 161 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

struiken komen en grotere dieren
uiteindelijk komt er bos: het climaxecosysteem

Slide 162 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 163 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Bas 8 Aanpassingen bij dieren
Dieren zoals die op dit moment leven, zijn het resultaat van aanpassing aan de omgeving waarin zij leven en waaraan zij het beste aangepast zijn, wat ook aan de nakomelingen doorgegeven wordt. Het aanpassen aan de omstandigheden noemt men adaptatie.

Slide 164 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mogelijke aanpassingen:
  • aan water: kieuwen, stroomlijn, waardoor minder weerstand van het water plaatsvindt, ondanks groot gewicht geen zwaar skelet.
  • aan land: bij groter gewicht een zwaarder skelet en stevige poten, aan ondergrond: harde ondergrond: topganger, zachte ondergrond: zoolganger.

Slide 165 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

poten van vogels

Slide 166 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

snavels van vogels

Slide 167 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

kegelsnavel: om zaden te kraken
pincetsnavel: om insecten uit schuilplaats te pikken
haaksnavel: vlees in stukken scheuren
priemsnavel: in de bodem van ondiep water dieren zoeken
zeefsnavel: wateroppervlak afslobberen naar organismen

Slide 168 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 169 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Bas 9 Aanpassingen bij planten

De twee uitersten qua aanpassing aan licht zijn de zonplanten, die veel licht nodig hebben om te kunnen groeien en schaduwplanten, die optimaal groeien bij weinig licht.

Ook aanpassingen aan de hoeveelheid beschikbaar water is zichtbaar bij planten: de planten die weinig water krijgen, hebben kleine, dikke bladeren en een groot wortelstelsel.

Planten in het water hebben soms wortels, soms niet,

Slide 170 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 171 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Bas 10 Samenleven

Relaties: met soortgenoten

Gaat altijd om voedsel en voortplanten. Hierbij kan competitie (concurrentie) of samenwerking plaatsvinden.

De relaties lopen alleen soepel als er 'afspraken' staan over rangorde (apen), territorium (wolf), staten (bijen).

Slide 172 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

relaties tussen 2 soorten

Slide 173 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bas 11 De bodem
Leerdoelen:
  • het verschil in bodemeigenschappen tussen zand en klei kennen
  • weten wat humus is

Slide 174 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De bodem

Slide 175 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Humus is belangrijk voor de bodem. Door reducenten worden organische stoffen omgezet in anorganische stoffen. Deze worden door planten als fosfaat, nitraat en andere zouten opgenomen.

Slide 176 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 177 - Video

Deze slide heeft geen instructies