2021 chap 5 - 10 mai - bez vnw - bilan

programme
Herhaling:
le verbe etre 
het bezittelijk voornaamwoord
le verbe aimer
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

programme
Herhaling:
le verbe etre 
het bezittelijk voornaamwoord
le verbe aimer

Slide 1 - Tekstslide

Elle est V
ON est 
Elles sont  V

Slide 2 - Tekstslide

Het bezittelijk voornaamwoord

Slide 3 - Tekstslide

Bezittelijk voornaamwoord

Slide 4 - Tekstslide

De bezittelijke voornaamwoorden!
De volgende dia gaat over de bezittelijke voornaamwoorden!

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Haar fiets vertaal je met
A
sa vélo
B
son vélo
C
ses vélo
D
ses vélos

Slide 7 - Quizvraag

Zij heeft haar fiets verkocht (vendre)
A
elle a vendu son vélo
B
elle a vendé son vélo
C
elle a vendi son vélo
D
elle a vendre son vélo

Slide 8 - Quizvraag

hun boeken
A
leur livre
B
vos livres
C
leurs livres
D
mon livre

Slide 9 - Quizvraag

nous ........ (etre)

A
etes
B
sont
C
sommes
D
avons

Slide 10 - Quizvraag

zijn boek
A
son livre
B
sa livre

Slide 11 - Quizvraag

(jouw) boeken
A
ton
B
ta
C
tes

Slide 12 - Quizvraag

jouw boeken(mv)
A
ton livres
B
tes livres
C
ta livres
D
mes livres

Slide 13 - Quizvraag

hun boeken
A
leur livre
B
vos livres
C
leurs livres
D
mon livre

Slide 14 - Quizvraag

de boeken
A
le livre
B
des livres
C
les livres
D
la livre

Slide 15 - Quizvraag

zijn boek
A
son livre
B
sa livre

Slide 16 - Quizvraag

nous ........ (etre)

A
etes
B
sont
C
sommes
D
avons

Slide 17 - Quizvraag

ETRE: hij is
A
il es
B
il suis
C
il a
D
il est

Slide 18 - Quizvraag

ETRE: Claire en Marc zijn
A
C et M ont
B
C et M est
C
C et M êtes
D
C et M sont

Slide 19 - Quizvraag

ETRE: jij bent
A
tu est
B
tu es
C
tu suis
D
tu as

Slide 20 - Quizvraag

Kies de juiste vorm van etre:
Nous ... grands!
A
est
B
sommes
C
sont

Slide 21 - Quizvraag

ETRE: ik ben
A
je es
B
je suis
C
je est
D
je sont

Slide 22 - Quizvraag

vous ........ (etre)

A
^etes
B
sont
C
sommes
D
avons

Slide 23 - Quizvraag

Kies de juiste vorm van etre:
Elle ... à l'école.
A
suis
B
es
C
est

Slide 24 - Quizvraag