Les 3

1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
Economie & OndernemenMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 4

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Computerboekhouden

Slide 2 - Tekstslide

Geld dat je van klanten krijgt voor verkochte producten of diensten.
Klant die een rekening nog moet betalen.
Leverancier aan wie je nog een rekening moet betalen.
Overzicht van de bezittingen, het eigen vermogen en de schulden van een bedrijf.
Wat hoort bij elkaar?
Balans
Debiteuren
Crediteuren
Opbrengsten

Slide 3 - Sleepvraag

Je betaalt een rekening aan een crediteur.
Je koopt goederen in op rekening. 
Je tankt benzine en rekent contant af.
Wat hoort bij elkaar?
Schuld wordt groter
Schuld wordt kleiner
Geen invloed op de schuld

Slide 4 - Sleepvraag

Boekhoudcyclus - beginbalans
De boekhouding van ieder bedrijf begint met een beginbalans. Daarop staat hoe de financiële situatie van het bedrijf aan het begin van een periode is.

Alle zaken die op de balans staan, noemen we balansposten.


Slide 5 - Tekstslide

Boekhoudcyclus - grootboekrekeningen
Wanneer er in het bedrijf iets verandert, zou er een nieuwe balans gemaakt moeten worden. Dat is veel werk, dus dat gebeurt dan ook niet. 

Je houdt alle veranderingen van de balansposten bij in aparte overzichten, deze overzichten heten grootboekrekeningen. Voor iedere balanspost is een aparte grootboekrekening. 

Alle grootboekrekeningen samen noemen we het grootboek.

Slide 6 - Tekstslide

Boekhoudcyclus - grootboekrekeningen

Slide 7 - Tekstslide

Boekhoudcyclus - kolommenbalans
Aan het einde van een boekingsperiode worden alle veranderingen van de balansposten in het grootboek opgeteld. Dit wordt gedaan met behulp van een kolommenbalans.

Slide 8 - Tekstslide

Boekhoudcyclus - eindbalans
Met behulp van de kolommenbalans kom je tot een eindbalans. De eindbalans is weer de beginbalans van de nieuwe periode.

Slide 9 - Tekstslide

Boekhoudcyclus
1
2
3
4
beginbalans
eindbalans
kolommenbalans
grootboekrekeningen

Slide 10 - Sleepvraag

Rubrieken in de boekhouding
Alle grootboekrekeningen worden ingedeeld in groepen. Die groepen heten rubrieken. Iedere rubriek heeft een eigen nummer. Er zijn 9 rubrieken, maar je hoeft ze niet allemaal te gebruiken.

Slide 11 - Tekstslide

Rubrieken in de boekhouding

Slide 12 - Tekstslide

Boekingsstempel en coderen
Op ieder boekingsstuk zet je een boekingsstempel. In dat stempel schrijf je welke grootboekrekeningen je moet gebruiken en wat je op die grootboekrekeningen moet schrijven. Later worden dan de grootboekrekeningen bijgewerkt.

Het invullen van het boekingsstempel heet coderen.

Slide 13 - Tekstslide

Boekingsstempel en coderen

Slide 14 - Tekstslide

Bij een inkoopfactuur of een kostenfactuur gebruik je altijd de grootboekrekening:
A
Kas
B
Crediteuren
C
Debiteuren
D
Omzet

Slide 15 - Quizvraag

Welke grootboekrekeningen heb je nodig bij een factuur die je ontvangt van de glazenwasser
A
Kas Te vorderen BTW onderhoudskosten
B
Crediteuren Te vorderen BTW onderhoudskosten
C
Kas Te vorderen BTW Inventaris
D
Crediteuren Te vorderen BTW Inventaris

Slide 16 - Quizvraag

Een verkoopfactuur wordt geboekt op rekening
A
Kas
B
Bank
C
Crediteuren
D
Debiteuren

Slide 17 - Quizvraag

De BTW die je van de belastingdienst terugkrijgt.
De BTW die je aan de belastingdienst moet geven
Te betalen BTW
Te vorderen BTW

Slide 18 - Sleepvraag

Een persoon of bedrijf van wie je nog geld krijgt
Een persoon of bedrijf aan wie je nog geld moet betalen
Debiteuren
Crediteuren

Slide 19 - Sleepvraag

Je ontvangt geld per bank van een
A
Debiteur
B
Crediteur

Slide 20 - Quizvraag

Privéopname
Als ondernemer heb je niet alleen geld nodig voor je bedrijf. Je moet zelf ook ergens wonen, eten en drinken, kleding kopen, enzovoort. Daarvoor haal je af en toe geld uit je bedrijf. Wanneer je dat doet, heet dat een privéopname

Je kunt voor privégebruik allerlei dingen uit de zaak halen. De drie meest voorkomende manieren zijn:
  • geld van de bankrekening van de zaak overschrijven naar je eigen bankrekening
  • cash uit de kassa halen
  • goederen uit de voorraad halen





Slide 21 - Tekstslide

Privéstortingen
Een enkele keer komt het voor dat je uit je privébezit wat geld of goederen neemt en die in je bedrijf gaat gebruiken. Dan spreek je van een privéstorting.





Slide 22 - Tekstslide

Privé opnames en stortingen
Natuurlijk moet je die privéopnames en privéstortingen goed bijhouden in de boekhouding. Steeds wanneer er door privé dingen in je bedrijf veranderen, verandert het eigen vermogen van je bedrijf.

Bij een privé opname wordt het eigen vermogen kleiner.

Bij een privé storting wordt het eigen vermogen groter.





Slide 23 - Tekstslide

Privé
Kosten
Aanschaf van wandelschoen voor vakantie.
Een mooie ketting voor oma. De ketting komt uit de voorraad van eigen bedrijf.
Een uitje met de familie
Personeelsuitje
Onderhoud van de bedrijfsauto

Slide 24 - Sleepvraag

Je haalt voor privégebruik €100 uit de kas.
Er wordt € 150 uit de kas gehaald en op de bankrekening van het bedrijf gestort.
Je verkoopt auto’s met winst.
Wat gebeurt er met het eigen vermogen?
Eigen vermogen wordt meer
Eigen vermogen wordt minder
Eigen vermogen blijft gelijk

Slide 25 - Sleepvraag

Geld onderweg
Bij een kasstorting is er meteen geld weg uit de kas. Je hebt het geld naar de bank gebracht of meegegeven aan de speciale geldtransporteur. Maar je kunt het nog niet bijboeken op de bankrekening. 
Er is dus even geld ‘te kort’ in de boekhouding. Om dat op te lossen boek je het bedrag voorlopig op de grootboekrekening Geld onderweg. Daar blijft het staan tot het bankafschrift geprint is.

Slide 26 - Tekstslide

Geld onderweg
Bij een kasopname heb je meteen meer geld in kas, maar je kunt het nog niet afboeken van de bankrekening. 
Er is dus even geld ‘te veel’ in de boekhouding. Om dat op te lossen, boek je het bedrag voorlopig op de grootboekrekening Geld onderweg. Daar blijft het staan tot het bankafschrift geprint is.

Slide 27 - Tekstslide

Retourzending
Het kan gebeuren dat je een klant een verkeerd product hebt toegestuurd. Of dat een product onderweg naar de klant beschadigd is. De klant stuurt een product dan terug. Ook wanneer een product niet bevalt, kan de klant het meestal binnen een aantal weken nog terugsturen.

Slide 28 - Tekstslide

Retourzending - creditfactuur
Wanneer de klant iets op rekening heeft gekocht, stuur je een verkoopfactuur. De klant weet dan hoeveel hij moet betalen. 

Wanneer de klant dan iets terugstuurt, stuur jij een 
credit-verkoopfactuur. De klant weet dan hoeveel geld hij van je terugkrijgt.

Slide 29 - Tekstslide

Retourzending - creditfactuur
Hetzelfde geldt als jij iets op rekening hebt ingekocht. Je krijgt dan een inkoopfactuur. Dan weet je hoeveel je moet betalen. 

Wanneer je dan iets terugstuurt, krijg je een 
credit-inkoopfactuur. Je weet dan hoeveel geld je terugkrijgt.

Slide 30 - Tekstslide