H2 Les 4 - Grammatik 2

1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 70 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

              Startklaar
  • Op je plek zitten 
  • Telefoon in het Zakkie 
  • Jas over de stoel, oortjes in de tas, tas op de grond
  • Schoolspullen op tafel: Boek, Chromebook, JdW-map, etui 
timer
3:00

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Programm
  • Übersicht Periode 1
  • Mini Quiz Wortschatz
  • Hausaufgabenkontrolle
  • Grammatik

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Overzicht Periode 1
  • Thema:  Identiteit en relaties | School, werk en toekomst
  • Benodigde lesmaterialen: Neue Kontakte 
Week 1
Week 2
Week 3
Week 4
Week 5
Week 6
Week 7
Week 8
Week 9
Week 10
Week 11 
Introductie
Wortschatz
Grammatik + sprechen
Geen les
Grammatik
Sehen + Hören
Herfst-vakantie
Start boekopdracht
...
...
Herhaling

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

   Speedwriting
Schrijf zo snel mogelijk alle woorden op dit je nog weet over een bepaald onderwerp.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

timer
2:00
Familie

Slide 7 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

timer
2:00
Eigenschaft
(zB. nett)

Slide 8 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

   Connect
Combineer de woorden met de juiste vertaling

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

die Geschwister
das Mädchen
der Pullover
die Kette
die Schuhe
de broers en zussen
het meisje
de ketting
de schoenen
de trui

Slide 10 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

sportlich
schlau
freundlich
faul
der Besuch
het bezoek
sportief
slim
vriendelijk
lui

Slide 11 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

die Handschuhe
die Hose
der Ohrring
der Rock
die Jacke

Slide 12 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

timer
10:00

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grammatik

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

           Leerdoelen
1. Ik kan werkwoorden in de tegenwoordige tijd gebruiken.
2. Ik kan het voltooid deelwoord gebruiken.


Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Personal Pronomen?

Slide 16 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Personal Pronomen

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

ich
er
du
sie
wir
ihr
Sie
jij
ik
wij
hij
zij
U
jullie

Slide 18 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

het werkwoord 'sein'
ich
du
e/s/e
wir
ihr
sie/Sie
bin
bist
ist
sind
seid
sind

Slide 20 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

het werkwoord 'haben'
ich
du
e/s/e
wir
ihr
sie/Sie
habe
hast
hat
haben
habt
haben

Slide 21 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

het werkwoord 'werden'
ich
du
e/s/e
wir
ihr
sie/Sie
werde
wirst
wird
werden
werdet
werden

Slide 22 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoorden
Regelmatige werkwoorden

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. de stam van het werkwoord
Om een werkwoord te kunnen vervoegen moet je zijn stam vinden.
De stam van het werkwoord vind je door -en of -n weg te halen van het hele werkwoord.
Dus: stam = hele werkwoord - en
voorbeeld: stam van wohnen = wohn
stam van klettern = kletter

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

2. de persoonlijke voornaamwoorden en de uitgangen
ich                 stam + e
du                  stam + st
er/ sie/ es   stam + t
wir                 stam + en  (/n)
ihr                  stam + t
sie/Sie         stam + en  (/n)

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de stam van een werkwoord (in het Duits)?
A
de ik vorm
B
de hij vorm
C
het hele werkwoord -n
D
het hele werkwoord -en

Slide 26 - Quizvraag

Antwoord C kan ook kloppen voor een paar werkwoorden bv:
streicheln
tun
verbessern

Dus als het hele ww niet met -en  eindigt maar met -n.
Regelmatige werkwoorden
Vervoegen van het werkwoord door eerst de stam op te schrijven. De stam is het hele werkwoord - en of - n.
Voorbeeld: 
wohnen = wohn
kaufen = kauf
reisen = reis 
streicheln = streichel

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Regelmatige werkwoorden: uitgangen
werkwoord: wohnen  stam: wohn
ich wohn e
du wohn st
er/sie es wohn t
wir wohn en
ihr wohn t
sie wohn en
Sie wohn en


Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Regelmatige werkwoorden: uitgangen
werkwoord: kaufen  stam: kauf
ich kauf e
du kauf st
er/sie es kauf t
wir kauf en
ihr kauf t
sie kauf en
Sie kauf en


Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vind de stam van het werkwoord

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

spielen

Slide 31 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

streicheln

Slide 32 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

verbessern

Slide 33 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vervoeg het werkwoord

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

du (kaufen).
A
kaufet
B
kaufe
C
kaufen
D
kaufst

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ich (spielen)
A
spielt
B
spiele
C
spielen
D
gespielt

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

ihr (machen)
A
machen
B
machst
C
macht
D
machet

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Ich (hören) gerne Musik.
A
hort
B
höre
C
horst
D
horen

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Ihr (kaufen) solche teuere Sachen.
A
kaufst
B
kaufen
C
kaufet
D
kauft

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Du (besuchen) die Oma.
A
besucht
B
besuchst
C
besuchen
D
besuche

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Ihr (kaufen) solche teuere Sachen.
A
kaufst
B
kaufen
C
kaufet
D
kauft

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Ich (spielen) gern Tennis.
A
spielt
B
spiele
C
spielen
D
spielst

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Meine Eltern (streicheln) den Hund.
A
streicheln
B
scheichelen
C
streichelt
D
streichele

Slide 43 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Ich (kaufen) eine Flasche Wasser.
A
kaufst
B
kauft
C
kaufe
D
kaufen

Slide 44 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag
timer
10:00
Neue Kontakte - Buch A
Kapitel 4: 
E Grammatik

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

           Afsluiting
Leerdoelen:
Klascode: zjqzg (H2a) en lpfmd (H2b)
Volgende les:

Huiswerk:
1. Ik kan persoonlijke voornaamwoorden gebruiken.
2. Ik kan de werkwoorden 'sein, haben, werden' vervoegen. 
3. Ik kan zwakke werkwoorden vervoegen in de tegenwoordige tijd
Sehen und hören
Machen
Grammatik (hand-out)
Lernen:
Wortschatz Modul 2: Schule, arbeit und Zukunft HV2 (Quizlet)


Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies