Vragen maken met do en does

Vragen maken in Present simple

1 / 19
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEngelsMiddelbare schoolvmbo lwoo, tLeerjaar 1

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Vragen maken in Present simple

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoel

Ik kan in het Engels simpele vragen maken in present simple.

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer gebruik jij present simple?

Gebruik dit als activering. Verwachte woorden: do, does, vraag, Engels, he, she, it, werkwoord, omdraaien. Pak daarna kort het verschil met Nederlands op.

Hoe doen we dat in het Nederlands?

In het Nederlands maken we een vraag vaak door te wisselen.


  • Jij werkt. → Werk jij?

  • Hij woont hier. → Woont hij hier?

  • Zij speelt voetbal. → Speelt zij voetbal?

Benadruk dat leerlingen dit al automatisch doen in het Nederlands: persoon en werkwoord wisselen van plek. Nog niet vergelijken met alle Engelse regels; eerst het vertrouwde patroon helder maken.

Maar in het Engels werkt dat niet zo

In het Engels kun je meestal niet zomaar alleen wisselen.


  • You work. → niet: Work you?

  • He lives here. → niet: Lives he here?

  • She plays tennis. → niet: Plays she tennis?


JE HEBT EEN HULPWERKWOORD NODIG OM VRAGEN TE MAKEN!

Zeg bewust 'meestal' omdat het gaat om gewone werkwoorden in de present simple. Werkwoorden zoals be behandel je nu niet.

Wat is een hulpwerkwoord?

Hulpwerkwoord help je om vragen te maken!


Het hulpwerkwoord van present simple is DO.

  • Do you work?

  • Do they like their jobs?

  • Do we play tennis?

Laat leerlingen het vaste vraagframe hardop meelezen. Houd het laagdrempelig: eerst het patroon, later pas uitzonderingen.

Werk jij?

Slaap jij?

Ga je naar school?

Vind je muziek leuk?

Do you work?

Do you sleep?

Do you go to school?

Do you like music?

Laat leerlingen het vaste vraagframe hardop meelezen. Houd het laagdrempelig: eerst het patroon, later pas uitzonderingen.

Waar staat DO in de vraagzin?

A

altijd vooraan

B

achteraan

Toetst het kerncontrast van slides 2-5: Nederlands maakt vaak vragen door te wisselen; Engels heeft bij gewone werkwoorden meestal do/does nodig.

Deze slide heeft geen instructies

HE/SHE/IT

Gebruiken does.


Does he live here?

Does Emma like pizza?

Does Tim eat meat?


Je maak de vragen met behulp van DOES.

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer gebruik je do?

Gebruik do bij:


  • I

  • you

  • we

  • they

Voorbeelden:

  • Do I know you?

  • Do you like pizza?

  • Do they live here?

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer gebruik je does?

Gebruik does bij:


  • he

  • she

  • it


Onthoud: he, she, it = does

De docent noemde de 'shit-regel'. Houd het op de slide netjes en duidelijk als: he, she, it = does. Je kunt mondeling noemen dat dit een geheugensteuntje is.

Belangrijk: het hoofdwerkwoord wordt weer gewoon

Bij does krijgt het werkwoord geen -s meer.


  • Does he live here?

  • Does she play tennis?


Dus niet: Does he lives here?

X

Dit is een veelgemaakte fout. Leg uit: de -s zit al in does, daarom wordt het hoofdwerkwoord weer de basisvorm.

Het vaste vraagmodel

Gebruik dit schema:


Do + I/you/we/they + werkwoord ... ?

Does + he/she/it + werkwoord ... ?


Voorbeelden:

  • Do we start now?

  • Does it work?

Noem 'werkwoord' hier steeds als basisvorm. Laat eventueel kort zien dat het vraagteken erbij hoort in geschreven taal.

Welke vraag is goed?

A

Do she play tennis?

B

Does he lives here?

C

Do they live here?

D

Lives he here?

Distractors komen uit veelgemaakte fouten: alleen wisselen, do bij she, en -s laten staan na does.

Welke vraag past bij: Sam lives nearby.

A

Do Sam live nearby?

B

Does Sam live nearby?

C

Does Sam lives nearby?

D

Lives Sam nearby?

Toetst toepassing met een naam. Sam telt als he/she/it, dus does + basisvorm.

Do of does

  1. Does he like cake?

  2. Do they live in Paris?

  3. Do you know my sister?

  4. Does she eat your dinner?

  5. Does your dog sleep in your bed?

  6. Do we need this?

Does
Do
Do
Does
Does
Do

Controleert de hoofdregel en de belangrijke extra regel: na does geen -s meer op het hoofdwerkwoord.

Maak vragen, kies tussen DO of DOES!

You play football. → Do you play football?


  1. You like pizza.

  2. He plays tennis.

  3. They live in London.

  4. She likes cats.

  5. We watch TV.

  6. He goes to school by bike.

  7. You speak English.

  8. She writes her homework.

Deze slide heeft geen instructies

Slide titel

Slide tekst

Deze slide heeft geen instructies