Commercieel extra training 3

Commercieel extra training 3
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
Economie & OndernemenMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 4

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

Commercieel extra training 3

Slide 1 - Tekstslide

Artikelkennis
Een verkoper moet veel weten over de producten die hij verkoopt, zo kan hij de klant goed adviseren.
Alles wat een verkoper over een artikel weet, noem je artikelkennis. Er zijn drie vormen van artikelkennis:
  • praktische artikelkennis
  • technische artikelkennis
  • commerciële artikelkennis

Slide 2 - Tekstslide

Praktische artikelkennis
Bij praktische artikelkennis gaat het om de basiskennis van het artikel, dus de basiskennis over:

  • de prijs
  • het merk
  • het type
  • het gebruik

Slide 3 - Tekstslide

Technische artikelkennis
Bij technische artikelkennis gaat het om specialistische kennis van het artikel, dus specialistische kennis over:

  • materiaal
  • technische mogelijkheden
  • onderhoud

Slide 4 - Tekstslide

Commerciële artikelkennis
Het gaat hier om verkoop bevorderende kennis van het artikel, dus verkoop bevorderende kennis over:
  • prijs-kwaliteitverhouding
  • acties/aanbiedingen
  • trends
  • de hoeveelheid winst op een artikel
  • levering en levertijd
  • garantie en service

Slide 5 - Tekstslide

Samenvatting artikelkennis
Praktische artikelkennisbasiskennis over bijv. de prijs, het merk, het type en het gebruik.

Technische artikelkennisspecialistische kennis over bijv. het materiaal, technische mogelijkheden en het onderhoud.

Commerciële artikelkennis; verkoop bevorderende kennis over bijv. acties, trends, winst, levering en levertijden, garantie en service.

Slide 6 - Tekstslide

Consumentenprijs
Brutowinstmarge is een percentage, bijv. 60%.

Btw is ook een percentage, 9% of
21 %.

Een ander woord voor de bruto verkoopprijs is de consumentenprijs.


inkoopprijs
brutowinstmarge
+
netto verkoopprijs
btw
+
bruto verkoopprijs

Slide 7 - Tekstslide

Psychologische prijs
Psychologische prijzen hebben als doel het artikel goedkoop te laten lijken.


€ 24,95 lijkt veel minder dan € 25,00. 
Als de 95 cent dan ook nog kleiner wordt afgebeeld, ziet de klant vooral 24 staan en lijkt het nog goedkoper.

€ 25,00
€ 24,95
€ 24,
95

Slide 8 - Tekstslide

Psychologische prijs
Ook de onderstaande afbeelding is een vorm van psychologische prijs. De oude prijs wordt doorgestreept en daarbij komt de nieuwe/lager prijs te staan.

Slide 9 - Tekstslide

Bodemprijs en adviesprijs
Een bodemprijs is de laagste prijs die je als winkelier voor een artikel mag vragen. Je mag als winkelier nooit onder de bodemprijs komen.

De adviesprijs is de prijs die de fabrikant voor dat artikel heeft aangegeven. Als winkelier mag je hier van afwijken.

Slide 10 - Tekstslide

Klantenbinding
Klanten binden aan jouw bedrijf of winkel is klantenbinding.

Door goed naar klanten te luisteren, weet je welke behoeften ze hebben. Door klanten een goed gevoel en goede service te geven bind je hen aan je bedrijf. Ze komen een volgende keer graag terug.
Ook een spaaractie of bonuskaart zorgt voor klantenbinding.

Slide 11 - Tekstslide

Koopkracht
De hoeveelheid producten die iemand kan kopen van zijn inkomen.

Slide 12 - Tekstslide

Koopkracht
Koopkracht hangt af van verschillende factoren:
- Inkomen
- Prijzen (inflatie = prijsstijging)
- Belastingen
- Persoonlijke situatie

Slide 13 - Tekstslide

Koopkracht en inflatie
Als de inflatie in Nederland 2% is, betekent dit dat de prijzen in de winkels gemiddeld met 2% stijgen.

Als ons inkomen ook met 2% stijgt, dan heeft dit GEEN invloed op onze koopkracht. Onze koopkracht stijgt niet, maar daalt ook niet.

Slide 14 - Tekstslide

Koopkracht en inflatie
Als de inflatie in Nederland 2% is, maar ons inkomen blijft gelijk, dan daalt onze koopkracht met 2%

Slide 15 - Tekstslide

Koopkracht en inflatie
Als de inflatie in Nederland 7% is, maar ons stijgt met 3%, dan daalt onze koopkracht met 4%.

( 7 - 3 = 4)

Slide 16 - Tekstslide

Koopkrachtbinding
Klanten kopen regelmatig hun producten in een bepaalde winkel.

Slide 17 - Tekstslide

Koopkrachtafvloeiing
Klanten kopen niet bij de winkel in de eigen plaats, wijk of straat. De klanten kopen dus bij een winkel in bijv. een andere plaats.

Slide 18 - Tekstslide

Koopkrachttoevloeiing
Klanten uit een andere plaats, wijk of straat kopen bij de winkel.

Slide 19 - Tekstslide

Groothandel, retail, detailhandel
  • Groothandel: is de handel die niet aan de consument verkoopt, maar de handel tussen handelaren/bedrijven onderling.
  • Retail: bedrijven die goederen en diensten direct aan de consument verkopen.
  • Detailhandel: bedrijven die goederen direct aan de consument verkopen.

Het verschil tussen retail en detailhandel is dat de detailhandel alleen goederen verkoopt,

Slide 20 - Tekstslide

Soorten winkels
  • Speciaalzaak: producten uit één of enkele productgroepen (bakker, juwelier, kaaswinkel). Smal en diep assortiment. Veel service en de verkopers hebben veel artikelkennis. Vooral bediening.
  • Supermarkt: winkel die vooral allerlei soorten levensmiddelen verkoopt. Breed assortiment. Vooral zelfbediening.
  • Discounter: winkel met lage prijzen en weinig service. Eenvoudige winkelinrichting. Zeeman, Bristol, Action. (smal en diep assortiment?)

Slide 21 - Tekstslide

Soorten winkels
  • Warenhuis: winkel met meerdere branches onder één dak. Breed assortiment. Bijenkorf.
  • Pop-upstore: een winkel die tijdelijk is een een bestaand gebouw of winkelpand. Vaak vanuit tijdelijke projecten.
  • Cataloguswinkel: winkel die producten in een vitrine of vanaf een plaatje verkopen (Kijkshop).
  • Webwinkel/webshop

Slide 22 - Tekstslide

Verzorgingsgebied
Het gebied waarin een winkel ligt heet het verzorgingsgebied.

Primair verzorgingsgebied: het gebied waar de inwoners wonen die zich richten op het winkelcentrum met jouw winkel.

Secundair verzorgingsgebied: het gebied (verder weg dan het primaire verzorgingsgebied) waarvan de inwoners zich niet speciaal richten op jouw winkelcentrum.

Slide 23 - Tekstslide

Verzorgingsgebied

Slide 24 - Tekstslide

Verzorgingsgebied
primair verzorgingsgebied

Slide 25 - Tekstslide

Verzorgingsgebied
primair verzorgingsgebied
secundair verzorgingsgebied

Slide 26 - Tekstslide

Winkeltypes
Er zijn drie winkeltypes:

  1. Bediening
  2. Zelfbediening
  3. Semi-zelfbediening

Slide 27 - Tekstslide

Bediening
Winkel waarbij de verkoper achter de toonbank de klant helpt, de klant kan zelf geen artikelen pakken.
Denk aan de bakker of de slager.

Slide 28 - Tekstslide

Zelfbediening
Winkel waarbij de klant de gelegenheid heeft om zich zelf te bedienen en vervolgens bij de kassa af te rekenen.
Denk aan een supermarkt.

Slide 29 - Tekstslide

Semi-zelfbediening
Winkel waarbij de klant de gelegenheid heeft om vrij rond te lopen en keuzes te maken. Maar de klant kan ook hulp krijgen van een verkoper.
Denk aan een kleding- of schoenenwinkel.

Slide 30 - Tekstslide

Verkoper meubelzaak: "Deze bank is gemaakt van kalfsleer en de vering is van zeer goede kwaliteit".
Welk soort artikelkennis hoort bij deze omschrijving?
A
Commerciële artikelkennis
B
Praktische artikelkennis
C
Technische artikelkennis
D
Theoretische artikelkennis

Slide 31 - Quizvraag

Verkoper meubelzaak: "In verband met drukte is de levertijd acht weken".
Welk soort artikelkennis hoort bij deze omschrijving?
A
Commerciële artikelkennis
B
Praktische artikelkennis
C
Technische artikelkennis
D
Theoretische artikelkennis

Slide 32 - Quizvraag

Verkoper meubelzaak: "De prijs van deze bank is
€ 790,00".
Welk soort artikelkennis hoort bij deze omschrijving?
A
Commerciële artikelkennis
B
Praktische artikelkennis
C
Technische artikelkennis
D
Theoretische artikelkennis

Slide 33 - Quizvraag

Je weet hoeveel winst er op een artikel gemaakt wordt.
Je weet waar het product geproduceerd is.
Je weet hoe een artikel in elkaar zit en hoe het werkt.
Wat hoort bij elkaar?
Commerciële artikelkennis
Praktische artikelkennis
Technische artikelkennis

Slide 34 - Sleepvraag

Welke stelling is waar?
(er kunnen meerdere goede antwoorden zijn)
A
Bij retail gaat het om de verkoop van goederen en diensten
B
Bij detailhandel gaat het om de verkoop van goederen en diensten
C
Bij retail gaat het alleen om de verkoop van diensten
D
Bij detailhandel gaat het alleen om de verkoop van goederen

Slide 35 - Quizvraag

Welke stelling is NIET waar?
A
Een groothandel levert aan consumenten
B
Een groothandel levert aan bedrijven
C
Bij een groothandel gaat het meestal om levering van grote hoeveelheden
D
De klanten van een groothandel staan ingeschreven bij de KvK

Slide 36 - Quizvraag

Het verkoopsysteem van Aldi
A
zelfbediening
B
semi-zelfbediening
C
bediening

Slide 37 - Quizvraag

Het verkoopsysteem van deze sportwinkel is waarschijnlijk...
A
zelfbediening
B
semi-zelfbediening
C
bediening

Slide 38 - Quizvraag

Koopkracht
Koopstroom
Plaats, wijk, straat of winkel waar klanten hun producten kopen.
Hoeveelheid producten die iemand van zijn inkomen kan kopen.

Slide 39 - Sleepvraag

De prijzen van producten stijgen en mijn inkomen blijft gelijk
A
mijn koopkracht stijgt
B
mijn koopkracht daalt

Slide 40 - Quizvraag

De prijzen van producten blijven gelijk, maar mijn inkomen stijgt
A
mijn koopkracht stijgt
B
mijn koopkracht daalt

Slide 41 - Quizvraag

Als de gemeente Doetinchem besluit het parkeren in het centrum gratis te maken, kan dit voor Doetinchem leiden tot...
A
koopkracht toevloeiing
B
koopkracht afvloeiing

Slide 42 - Quizvraag

Als de gemeente Doetinchem besluit te stoppen met de koopzondagen, kan dit voor Doetinchem leiden tot...
A
koopkracht toevloeiing
B
koopkracht afvloeiing

Slide 43 - Quizvraag