Wonen / woorden in huis

Taalklas 
Dinsdag
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsISK

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 150 min

Onderdelen in deze les

Taalklas 
Dinsdag

Slide 1 - Tekstslide

Welke datum is het vandaag?

Slide 2 - Open vraag

Welke dag en datum is het morgen>

Slide 3 - Open vraag

Welk jaargetijde is het?
A
zomer
B
herfst
C
winter
D
lente

Slide 4 - Quizvraag

wonen is een werkwoord/doe-woord.
Wat is goed?
A
ik woon, jij woont
B
ik stel, jij stelt,
C
Hij woont, wij wonnen
D
hij wont, wij wonen

Slide 5 - Quizvraag

Taalklas
  • Lesson up: het huis
  • Opdrachten maken
  • samen lezen boek
  • Numo 

Slide 6 - Tekstslide

Wat is een geen ander woord voor wonen?
A
verblijven
B
gevestigd zijn
C
verhuizen

Slide 7 - Quizvraag

werkwoord wonen

Ik heb.......................in Amsterdam
A
gewonen
B
gewond
C
gewoond

Slide 8 - Quizvraag

Schrijf zoveel mogelijk woorden op die met het huis te maken hebben.

Slide 9 - Open vraag

Wat is een ander woord voor muur?
A
wand
B
want

Slide 10 - Quizvraag

Slide 11 - Tekstslide

Wat zag je op de afbeelding?

Slide 12 - Open vraag

Wat betekent dit bord
A
Bel aan de voordeur voor hulp
B
Hier is een brandmelder

Slide 13 - Quizvraag

Wat betekent 'veilig'?
A
niet snel
B
niet mooi
C
niet gevaarlijk
D
niet duur

Slide 14 - Quizvraag

Tegenstelling
veilig -  onveilig
gevaarlijk - ongevaarlijk



Slide 15 - Tekstslide

Wat betekent de uitdrukking/gezegde: balen als een stekker
A
het is niet zo erg
B
er genoeg van hebben
C
de stekker past niet
D
als je te snel wil, lukt het niet

Slide 16 - Quizvraag

 beroepen

Slide 17 - Tekstslide


Slide 18 - Open vraag

Starttaal Instap
Nederlands
Deel B
Taal op het werk


Slide 19 - Tekstslide

We gaan samen lezen

Slide 20 - Tekstslide

Numo

Slide 21 - Tekstslide

Afsluiting
Wat vond je van de les????

Slide 22 - Tekstslide