SOCOVA1, les 2

Sociaal communicatieve vaardigheden, les 2
les 3

1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
WelzijnMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 90 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Sociaal communicatieve vaardigheden, les 2
les 3

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Terugblik les 2
  1. Wat is coderen? 
  2. Wat is decoderen? 
  3. Wanneer is er sprake van meerzijdige communicatie? 



Evt: begrippenblad

Slide 2 - Tekstslide

Meerzijdige communicatie is direct
Begeleider Nina kijkt op haar laptop naar een elektronisch begeleidingsplan. Ze zucht en vraagt geërgerd aan haar collega Beja: ‘' Kun je me even helpen? Ik begrijp echt niet wat ik nu weer verkeerd heb gedaan." Beja antwoordt: "Ik kom eraan, even dit afmaken."
A
Nina geeft alleen informatie aan Beja.
B
Beja geeft alleen informatie aan Nina.
C
Nina geeft info aan Beja en Beja aan Nina.
D
Nina en Beja geven geen informatie.

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Was er bij de vorige casus sprake van interactie? Ligt je antwoord toe

Slide 4 - Open vraag

Ja, er is sprake van communicatie heen en weer: wederzijdse beïnvloeding. 
Is direct reageren bij eenzijdige communicatie mogelijk?

Slide 5 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Referentiekader
De manier waarop jij naar het leven kijkt en informatie verwerkt. 

Iedereen heeft een eigen referentiekader, deze wordt gevormd door: 
  • Waarden en normen 
  • Overtuigingen 
  • Verwachtingen 

Slide 7 - Tekstslide

Uitleg geboorte onbeschreven blad, daarna door ervaringen en omgeving beïnvloed. 

Waarden = idealen die we nastreven (gelijkheid, vrijheid, zelfstandigheid)
normen = gedragsregels
Referentiekader
Beïnvloed door ervaringen en omgeving:

Opvoeding                                           Social Media                Cultuur                                                Nieuws
Religie 
Leefsituatie
Werk 
Vrienden 




Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

timer
10:00

Slide 10 - Tekstslide

Vragen op het bord: 
1. Welke kenmerken van de begeleider  kleuren zijn referentiekader? 
2. Welke opvattingen heeft de begeleider over de jongere? (wat kun je afleiden van taalgebruik)
3. Wat zou de begeleider kunnen zien als hij zijn 'bril' afzet? 
Begrijpen van de boodschap
Decoderen = de boodschap omzetten in een betekenis. 


Fouten die jij als ontvanger kan maken:
  1. Andere (emotionele) betekenis aan woorden, door o.a. referentiekader.
  2. Eigen (andere) interpretatie van de woorden, gekleurd door huidige stemming en gevoelens naar de persoon.

Slide 11 - Tekstslide

Conclusie: Bij communicatie is geen sprake van objectieve werkelijkheid maar van persoonlijke en subjectieve werkelijkheid.

Communicatie doelen
Het is belangrijk om vooraf goed na te denken over het doel van je communicatie. Op die manier communiceer je doelgericht.

1. Overtuigen: de ander een idee of mening laten overnemen. 
2. Informeren: informatie overbrengen aan de ander. 
3. Activeren: de ander in actie brengen of motiveren. 
4. Instrueren: de ander leren hoe hij/zij moet handelen (bepaalde manier). 

Slide 12 - Tekstslide

Welke 2 zijn meeste ingekleurd door referentiekader? 
Welk communicatiedoel?
  1. Welk communicatiedoel gebruik je bij:  
  • Nieuwe cliënt rondleiden op de dagbesteding.
  • Cliënt stimuleren om mee te doen aan een activiteit.
  • Het aanleren van een vaardigheid als de vaatwasser inruimen.

Slide 13 - Tekstslide

informeren, activeren, instrueren, overtuigen
De begeleider Birol zegt tegen cliënt Suzy, die haar wenkbrauwen fronst: ‘Volgens mij begrijp je het niet.’

In dit geval is de boodschap:
A
Birol
B
De woorden van Birol
C
Het fronzen van Suzy
D
Woorden Birol en fronzen Suzy

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Break

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verbale communicatie
Gaat om je uiten met woorden of geluiden

Verbale communicatie kan zowel gesproken als geschreven zijn. 

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Non-verbale communicatie 
Communicatie tussen mensen zonder woorden
1. Gebaren
2. Gezichtsuitdrukking 
3. Aanrakingen (als je dichtbij staat) 
4. Lichaamshouding & -taal
5. Stemgebruik (toon van je stem, intonatie, spreektempo)
6. Oogcontact

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is geen vorm van non-verbale communicatie?
A
Woorden die je schrijft of uitspreekt
B
Whatsapp met een emoticon
C
Blozen van het gezicht
D
Een stripverhaal

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Verbale en non-verbale communicatie vullen elkaar aan.

Non verbale communicatie kan de boodschap versterken of afzwakken.

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht
Beantwoord de volgende vraag: 

1. Welke vorm van communicatie is belangrijker (v/n-v)? 
2. Geef twee argumenten waarom jij dit vindt. 
3. Wat kan in de zorgverlening de meerwaarde zijn van aanraking in de communicatie? 
4. Bij welke categorie cliënten speelt dit denk je een grote rol?

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vervolgopdracht 
1. Ga nu met zijn allen in een kring zitten.

2. Vier personen mogen in totaal slechts tien seconden gaan staan. Daarna moeten zij gaan zitten en worden ze direct vervangen door anderen uit de groep.

-> Er mag niet gesproken worden, alle communicatie vindt non-verbaal plaats. 

timer
5:00

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gebaren communiceren

https://gebaarjemee.nl/spel-1/

Raad individueel de dieren die in gebarentaal worden uitgebeeld. 

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gebaren gebruiken
Vorm groepjes van 5: 
- 3 mensen mogen per keer uitbeelden; 
Lees de handeling/ gebeurtenis 
Beeld nu om de beurt uit wat er staat. 
-> Kun je elkaar aanvullen en de boodschap overbrengen?  
Voorbeeld broekplassen:  P1: broek, P2: plassen, P3: sip kijken

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies