Grammatica blok 5 -2

Doel van deze les

Na deze les kun je: 

  • een hoofd- en een bijzin herkennen  
  • kun je het vragend, aanwijzend en betrekkelijk voornaamwoord benoemen.
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Doel van deze les

Na deze les kun je: 

  • een hoofd- en een bijzin herkennen  
  • kun je het vragend, aanwijzend en betrekkelijk voornaamwoord benoemen.

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we doen?
  • 30 minuten lezen
  • herhalen hoofd- en bijzin
  • Uitleg vragend, aanwijzend en betrekkelijk voornaamwoord
  • Oefenen in de methode
  • Quiz in lesson-up

Slide 2 - Tekstslide

Enkelvoudig of samengesteld
Enkelvoudige zin
  • Bestaat uit 1 hoofdzin met 1 persoonsvorm.

  Samengestelde zin
  • Twee of meer zinnen met een voegwoord aan elkaar. 
  • Bevat meerdere onderwerpen en persoonsvormen. 
  • Bestaat uit hoofdzin + hoofdzin of hoofdzin + bijzin. 

Slide 3 - Tekstslide

hoofdzin 
een hoofdzin wordt aan een andere hoofdzin geplakt door een voegwoord.

Ik moet naar huis, want ik krijg vanavond bezoek.

voegwoorden voor hoofdzinnen: en, maar, of en want

Slide 4 - Tekstslide

VOEGWOORDEN

en - maar - want

gebruik je bij hoofdzin + hoofdzin

(zinnen waarbij pv en ow naast elkaar staan)

Bijvoorbeeld:

Gisteren was ik vrij, want de leraren hadden een studiedag.

Slide 5 - Tekstslide

Samengestelde zin
Hoofdzin + hoofdzin
  • Ik ben blij en ik ben boos. 

Hoofdzin + bijzin(nen)
  • Omdat ik vandaag blij ben, ben ik niet boos. 

Slide 6 - Tekstslide

Hoofdzin en bijzin

Samengestelde zin met voegwoord:

Bo zoekt haar paraplu omdat het regent.


Hoofdzin --> staat de persoonsvorm 1e of 2e zinsdeel

Bijzin --> persoonsvorm verder naar achteren

Slide 7 - Tekstslide

Nog even oefenen
Ga naar de methodesite Grammatica blok 5
Maak oefening 5A, 5B, 6,7 en 8

Slide 8 - Tekstslide

Vragende voornaamwoorden
  •  Vragende voornaamwoorden: wie, wat, welk(e) en wat voor (een).
  • staan meestal aan het begin van een vragende zin. 
  • staan altijd VOOR een zelfstandig naamwoord

Slide 9 - Tekstslide

Voorbeeld

Welk boek heb ik als laatste gelezen?

Slide 10 - Tekstslide

Let op!
Vragende voornaamwoorden  kunnen ook midden in een zin staan. Je kunt ze dan moeilijker herkennen. Maak de zin dan vragend door het vragend voornaamwoord vooraan in de zin te zetten.

Slide 11 - Tekstslide

voorbeeld
Weet jij wie er morgen op je verjaardag komen?  
Wie komen er vanavond op je verjaardag, weet jij dat?  
Wie = vragend voornaamwoord

Slide 12 - Tekstslide

Vragend voornaamwoord
Let op!

Woorden als waar, waarheen, wanneer en hoe zijn géén vragende voornaamwoorden

Slide 13 - Tekstslide

Aanwijzend voornaamwoord
Die, deze, dit en dat

Slide 14 - Tekstslide

Aanwijzend voornaamwoord
Het aanwijzend voornaamwoord staat vaak voor een zelfstandig naamwoord. Het kan ook zelfstandig in een zin voorkomen. Het vervangt dan woorden. Je kunt het zelfstandig naamwoord er dan achter denken. 

Slide 15 - Tekstslide

voorbeeld
Mijn oom heeft een nieuwe auto gekocht. 
Deze/die is elektrisch. 
Linda heeft gisteren een toetje gemaakt. 
Dit/dat smaakte heel lekker.

Slide 16 - Tekstslide

aanwijzend voornaamwoord
Een aanwijzend voornaamwoord kan ook naar een hele zin verwijzen.

Slide 17 - Tekstslide

voorbeeld
Je moet niet zo jaloers zijn. Dat is geen goede eigenschap.

Slide 18 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord
Betrekkelijke voornaamwoorden: die, dat, wat en wie. 
  • Het betrekkelijk voornaamwoord verwijst terug naar een woord of een woordgroepje dat er vlak voor staat.

Slide 19 - Tekstslide

voorbeeld
Het adres dat hij mij gaf, klopt niet.
De tas, die daar staat, is niet van mij.

Slide 20 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord
Het betrekkelijk voornaamwoord wat kan terugverwijzen naar :
  • een overtreffende trap (mooist, grootst, lekkerst, enz.)
  • iets vaags (bijvoorbeeld iets, niets, alles, het enige)
  • een hele zin.

Slide 21 - Tekstslide

voorbeeld
  • Het spannendste wat ik ooit heb gedaan, is een vliegtuigje besturen. 
  • Bedankt voor alles wat je voor ons hebt gedaan. 
  • Mindy kan niet mee naar de film, wat ze heel jammer vindt.

Slide 22 - Tekstslide

Nu zelf oefenen
Grammatica blok 5
5.6: Opdracht 9.1, 9.2 en 10
5.7: Opdracht 11 en 12

Slide 23 - Tekstslide

Nina leest een boek en Cato is aan het koken.
A
bijzin, hoofdzin
B
bijzin, bijzin
C
hoofdzin, hoofdzin
D
hoofdzin, bijzin

Slide 24 - Quizvraag

Tim pakt limonade, omdat hij dorst heeft.
A
hoofdzin, hoofdzin
B
bijzin, hoofdzin
C
hoofdzin, bijzin
D
bijzin, bijzin

Slide 25 - Quizvraag

Welke uitspraken over de hoofd- en bijzin zijn waar?
A
Een hoofdzin kun je weglaten.
B
De hoofdzin is het belangrijkste deel van een samengestelde zin.
C
In een hoofdzin is de persoonsvorm niet het eerste of tweede zinsdeel.
D
Een bijzin kun je weglaten.

Slide 26 - Quizvraag

Wie heeft het schoolfeest georganiseerd?
'wie' =
A
aanwijzend voornaamwoord
B
persoonlijk voornaamwoord
C
vragend voornaamwoord
D
betrekkelijk voornaamwoord

Slide 27 - Quizvraag


Wat heb je gisteren gedaan?

Wat =
A
Vragend voornaamwoord
B
betrekkelijk voornaamwoord
C
onbepaald voornaamwoord
D
aanwijzend voornaamwoord

Slide 28 - Quizvraag

Maak zelf een zin met het vragend voornaamwoord 'wat'.

Slide 29 - Open vraag

Aanwijzend voornaamwoord:
A
die
B
welke
C
naar
D
wie

Slide 30 - Quizvraag

Wat is geen aanwijzend voornaamwoord?
A
zo'n
B
die
C
zijn
D
zulke

Slide 31 - Quizvraag

Welk woord kan géén aanwijzend voornaamwoord zijn?
A
deze
B
dit
C
wat
D
die

Slide 32 - Quizvraag





Wie zou zo'n reis op die leeftijd ook durven te maken?
A
Wie = een vragend voornaamwoord die = aanwijzend voornaamwoord
B
Wie = een vragend voornaamwoord die = betrekkelijk voornaamwoord
C
Wie = een betrekkelijk voornaamwoord die = aanwijzend voornaamwoord
D
Wie = een betrekkelijk voornaamwoord die = betrekkelijk voornaamwoord

Slide 33 - Quizvraag

Die vrouw is mijn buurvrouw.
Die is
A
aanwijzend voornaamwoord
B
betrekkelijk voornaamwoord
C
persoonlijk voornaamwoord

Slide 34 - Quizvraag

Gaan zij dat echt doen?
'dat' is een:
A
aanwijzend voornaamwoord
B
lidwoord
C
persoonlijk voornaamwoord
D
werkwoord

Slide 35 - Quizvraag

Wat vond je moeilijk?

Slide 36 - Open vraag

Wat vond je makkelijk

Slide 37 - Open vraag

Wat vond je moeilijk?

Slide 38 - Open vraag