Goede tijden, slechte tijden

Goede tijden, slechte tijden
Structuur
Conjunctuur
Hoogconjunctuur
Laag conjunctuur
Krappe arbeidsmarkt
Ruime arbeidsmarkt
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Goede tijden, slechte tijden
Structuur
Conjunctuur
Hoogconjunctuur
Laag conjunctuur
Krappe arbeidsmarkt
Ruime arbeidsmarkt

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Wat is een indicatie voor laagconjunctuur
A
Hoge bezettingsgraad
B
Toenemende werkloosheid
C
Hoog producenten vertrouwen
D
Grote aankopen nemen toe

Slide 10 - Quizvraag

Wanneer is sprake van een recessie?
A
1 kwartaal negatieve groei van het bbp
B
Groei van het bbp dat lager is dan gemiddeld
C
2 kwartalen krimp van het bbp
D
2 kwartalen groei van het bbp

Slide 11 - Quizvraag

De trend in een land is 4 %. Er is 3 % economische groei verwacht. Er is sprake van:
A
Een trend
B
Laagconjunctuur
C
Hoogconjunctuur
D
Conjunctuur

Slide 12 - Quizvraag

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Link

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

De economie van een land zit in laagconjunctuur. Anti-cyclisch beleid zou zijn:
A
Belasting verlagen
B
Belasting verhogen
C
Overheidsuitgaven verlagen
D
BTW verhogen

Slide 22 - Quizvraag

De economie van een land zit in hoogconjunctuur. Wat is het risico?
A
de bestedingen nemen toe
B
De werkgelegenheid stijgt
C
De prijzen gaan sterkt dalen
D
De prijzen gaan sterk stijgen

Slide 23 - Quizvraag

De economie van een land zit in hoogconjunctuur. Anti-cyclisch beleid zou zijn:
A
Belastingen verlagen
B
Belastingen verhogen
C
Overheidsuitgaven verhogen
D
BTW verlagen

Slide 24 - Quizvraag

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Wat is een kenmerk van onderbesteding?
A
Hoge werkgelegenheid
B
Hoge investeringen
C
Hoog consumenten vertrouwen
D
Lage bezettingsgraad

Slide 27 - Quizvraag

In een land stijgen de prijzen omdat de vraag naar goederen groter is dan het aanbod. Dit heet:
A
Kosteninflatie
B
Bestedingsinflatie
C
Geïmporteerde inflatie
D
Opgeblazen gevoel

Slide 28 - Quizvraag