v5 p3 premier cours

V5  le 6 février
C: En classe : Quatre jobs de rêve
A:  Les buts de la semaine
D: o  les pronoms personnels grammaire III
B  Test tw2-prendre connaissance
À faire en ligne : u4 regarder ex 1-5  et : u4 lire ex 1-5 
Apprendre : p 181 (pour la lettre de motiv’)& u3 le pronom personnel
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

V5  le 6 février
C: En classe : Quatre jobs de rêve
A:  Les buts de la semaine
D: o  les pronoms personnels grammaire III
B  Test tw2-prendre connaissance
À faire en ligne : u4 regarder ex 1-5  et : u4 lire ex 1-5 
Apprendre : p 181 (pour la lettre de motiv’)& u3 le pronom personnel

Slide 1 - Tekstslide

A: les buts de la semaine
- controle de test/ début unité 4
- job de rêve
- préparation test (formatief)



-

Slide 2 - Tekstslide

B: Je behaalde cijfer
lager dan verwacht
zoals ik had verwacht
hoger dan verwacht

Slide 3 - Poll

voor deze toets had ik
te weinig geleerd
net genoeg (dacht ik)
geleerd, ik dacht genoeg
goed geleerd
perfect geleerd

Slide 4 - Poll

welke vragen/ manier van vragen vond je lastig?

Slide 5 - Woordweb

de toets was
te kort
precies lang genoeg
veel te lang, kwam in tijdnood

Slide 6 - Poll

ik heb het leerwerk
onderschat
goed ingeschat
overschat

Slide 7 - Poll

4 jobs de rêve
I: soulignez / marquez les phrases utiles =>
vous allez les utiliser!
II : choisissez un des jobs de rêve 
III. utilisez l'annonce pour le job qui t'intéresse et ajustez-la / changez là, faites un offre d'emploi selon le modèle à la page 21.
IV. rendez-moi l'offre d'emploi
V. votre offre d'emploi sera redistribué en classe et un de vos camarades de classe essayera de corriger votre offre d'emploi



Slide 8 - Tekstslide

vous pourriez vous servir de...
être à la recherche de........- op zoek zijn naar
les conditions - de voorwaarden
un contrat de ...ans - een contract voor ... jaar
un joli salaire- een leuk salaris
ce poste à temps plein- deze voltijd baan
n'est pas chose aisée- is niet makkelijk
être capable de réaliser- in staat zijn te realiseren/maken
il n'est pas nécessaire d'être diplomé pour postuler- je hoeft geen diploma hebben om te solliciteren

Slide 9 - Tekstslide

aide prépa lettre de motivation
à copier dans votre cahier!!

C’est avec beaucoup d’intérêt que j’ai lu l’offre d’emploi pour ....................................................................................................................
Je suis au Stanislas et l'année prochaine, au mois de mai, je vais passer le bac. 
Je suis en filière / J’ai choisi la filière CM,/EM/NG/NT
.Ma passion, c’est .................... J’aime .....................................................
Depuis/ dans .........................., j’ai / j'aurai mon permis de conduire. 
Si j’ai réussi mon bac, ce que j’espère, je serai disponible dès le 1er juin 
je pourrai travailler à temps plein.
Pour toutes ces raisons, je pense être la bonne personne pour ce job .
Alors je vous envoie mon CV. Je vous remercie d'avoir lu ma lettre de motivation.


Slide 10 - Tekstslide

D: De voornaamwoorden 'y' - 'en'
Y en EN zijn onpersoonlijke voornaamwoorden.
Ze vervangen plaatsen en dingen. 

- EN vervangt de + zelfstandig naamwoord

- Y vervangt alle andere voorzetsels + zelfstandig naamwoord
In het Nederlands vertalen we Y en EN vaak met 'ER'

Slide 11 - Tekstslide

Exemples 'EN' 
Vous venez de Paris ? (Komt u uit Parijs?)
Oui, j'en viens. (Ja, ik kom ER vandaan)

Tu as de l'argent ? (Heb je geld bij je?)
Oui, j'en ai ! (Ja, ik heb ERvan...)

Tu prends de la tarte ? (Neem je taart?)
Non, je n'en prends pas. ( Nee, ik neem ER niet van.)

Tu veux encore des pommes de terre ? (Wil je nog aardappelen?)
Non merci, je n'en veux plus. (Nee, ik wil ER geen meer.)

Vous avez acheté des fruits ? (Hebben jullie fruit/vruchten gekocht?)
Oui j'en ai acheté. (Ja, ik ER van gekocht.)

Slide 12 - Tekstslide

Exemples 'Y' 
Tu habites à Paris ? (Woon je in Parijs?)
Oui, j'y habite. (Ja, ik woon ER)

Tu vas au bureau aujourd'hui ? (Ga je vandaag naar kantoor?)
Non, je n'y vais pas. (Nee, vandaag ga ik ER niet heen)

Tu aimerais aller en Chine ? (Zou jij naar China willen gaan?)
Oui, j'aimerais y aller. (Ja, Ik zou ER wel naar toe willen gaan)

Le chat est dans son panier ? (Ligt de kat in zijn mandje?)
Oui, il y est. (Ja hij ligt ERin.)

Tu penses quelquefois à ton avenir ? (Denk je wel eens aan je toekomst?)
Oh oui, j'y pense tout le temps. (Ja, ik denk ER de hele tijd aan.)

Slide 13 - Tekstslide

Plaats in de zin van EN en Y

De voornaamwoorden EN en Y staan vóór de persoonsvorm
Maar wanneer er een infinitief in de zin staat, plaatsen we het vóór de infinitief
Exemples:

Vous avez acheté des fruits
Oui, j'en ai acheté. 
Vous voulez acheter des fruits?
Oui, je veux en acheter.

Tu habites à Paris
Oui, j'y habite.
Tu vas habiter à Paris?
Oui, je vais y habiter.


Slide 14 - Tekstslide

Pronom personnel
Lijdend vw en meewerkend vw
Nu leer je:
1. hoe je een en zelfst. nw of eigen naam kunt vervangen door een pers.vnw (pronom personnel)
2. welke pronoms je moet gebruiken als:
 lijdend voorwerp en als meewerkend voorwerp
3. waar in de zin je deze pronoms moet plaatsen

Slide 15 - Tekstslide

Lijdend voorwerp 
Het lijdend voorwerp in de zin vind je door antwoord te geven op de vraag:
Wie of wat + onderwerp + gezegde
Voorbeeld: Ik koop een boek. Vraag: Wie of wat koop ik?
een boek = lijdend voorwerp
TIP: voor een lijdend voorwerp staat nooit een voorzetsel!!!

Slide 16 - Tekstslide

Lijdend voorwerp LE, LA, LES
Ik zie de kat                                                        Je vois le chat
Ik zie hem                                                           Je le vois
Ik zie de vrouw                                                 Je vois la femme
Ik zie haar                                                           Je la vois
Ik zie de kat en de vrouw                            Je vois le chat et la femme
Ik zie ze                                                               Je les vois 

Slide 17 - Tekstslide

Meewerkend voorwerp
Het meewerkend voorwerp in de zin vind je door antwoord te geven op de vraag:
Aan wie of voor  wie + onderwerp + gezegde + lijd. vw?
Voorbeeld: Ik geef een bloem aan mijn zus. 
Vraag: Aan wie geef ik een bloem ?
mijn zus = meewerkend voorwerp
TIP: voor een meewerkend vw staat (meestal) een voorzetsel 

Slide 18 - Tekstslide

Meewerkend voorwerp LUI, LEUR
Ik geef een cadeau aan papa                                    Je donne un cadeau à papa
Ik geef hem een cadeau                                              Je lui donne un cadeau
Ik geef een cadeau aan mama                                 Je donne un cadeau à maman
Ik geef haar een cadeau                                             Je lui donne un cadeau
Ik geef een cadeau aan papa en mama Je donne un cadeau à papa et maman
Ik geef hen een cadeau                                              Je leur donne un cadeau

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Lijdend voorwerp
le
la
l'
les


geen voorzetsel
meewerkend voorwerp
lui
leur




wel een voorzetsel
(in het Frans: à)

Slide 21 - Tekstslide

De plaats
Vóór de persoonsvorm
Je donne un cadeau à mon copain
Je le donne à mon copain ( lijd. vw)
Je lui donne un cadeau (meew. vw)

Slide 22 - Tekstslide

Maar.....
Als er een infinitief in de zin staat, dan staat het vóór de infinitief 
Je vais donner un cadeau à mon copain
Je vais le donner à mon copain ( lijd. vw)
Je vais lui donner un cadeau (meew. vw)

Slide 23 - Tekstslide

On vend cette maison.
vervang 'cette maison' (v)
A
On la vend.
B
On le vend.
C
On les vend.
D
On vend la.

Slide 24 - Quizvraag

Tu vois tes amis?
vervang 'tes amis'
A
Tu le vois?
B
Tu la vois?
C
Tu les vois?
D
Tu l'a vois?

Slide 25 - Quizvraag

Elle étudie la carte routière.
vervang 'la carte routière'
A
Elle la étudie.
B
Elle l'étudie.
C
Elle le étudie.
D
Elle étudie le.

Slide 26 - Quizvraag

Je prends une tartine avant que je quitte la maison

A
subjonctif want na 'wil/ wens'
B
subjonctif want na 'avant que'
C
geen subjonctif want geen 'wil / wens'
D
geen subjonctif want 'je quitte' = présent

Slide 27 - Quizvraag

C'est impossible que vous ayez raison
A
geen subjonctif want vous ayez
B
geen subjonctif want 'c'est impossible'
C
subjonctif want 'raison'
D
subjonctif want 'c'est impossible'

Slide 28 - Quizvraag

Gebruik van de subjonctif:
il faut qu'on ..............un truc ensemble
A
fasses
B
fas
C
fait
D
fasse

Slide 29 - Quizvraag

Slide 30 - Video

Slide 31 - Video

Slide 32 - Tekstslide

te/t'
te/t'

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Tekstslide





Vervang het onderstreepte zinsdeel

Les Français aiment beaucoup les films artistiques

Slide 35 - Open vraag





Vervang het onderstreepte zinsdeel

Les  élèves posent des questions à leur prof.

Slide 36 - Open vraag





Vervang het onderstreepte zinsdeel

Olivier donne un ticket de film  à sa petite amie.

Slide 37 - Open vraag





Vervang het onderstreepte zinsdeel

Mes parents vont parler au directeur.

Slide 38 - Open vraag





Vervang het onderstreepte zinsdeel

Frank va rejoindre Marc et Patrick devant le métro.

Slide 39 - Open vraag

vas-y
A
hier is de vaas
B
ga (daarheen)
C
warm jezelf
D
vast en zeker

Slide 40 - Quizvraag

"en" et "y" zijn ....
A
zelfstandige naamwoorden
B
bijwoorden
C
voornaamwoorden
D
bijvoeglijk naamwoorden

Slide 41 - Quizvraag

Wat betekent 'y' in de zin "Oui, je vais y aller" ?
A
dat
B
het
C
erheen
D
daar

Slide 42 - Quizvraag


On y va!
A
Binnenkort!
B
Proberen!
C
En jij!
D
Laten we gaan!

Slide 43 - Quizvraag