Hoofdstuk 6 Licht

Voorwerpen die zelf geen licht geven

De meeste dingen om je heen geven zelf geen licht. Je kunt ze alleen zien wanneer ze verlicht worden. Het licht dat op het voorwerp valt, wordt dan in alle richtingen teruggekaatst. In de natuurkunde zeg je dan dat het licht diffuus teruggekaatst wordt (afbeelding 3). Je ziet het voorwerp als een deel van dit teruggekaatste licht in je ogen valt.
1 / 82
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 2

In deze les zitten 82 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Voorwerpen die zelf geen licht geven

De meeste dingen om je heen geven zelf geen licht. Je kunt ze alleen zien wanneer ze verlicht worden. Het licht dat op het voorwerp valt, wordt dan in alle richtingen teruggekaatst. In de natuurkunde zeg je dan dat het licht diffuus teruggekaatst wordt (afbeelding 3). Je ziet het voorwerp als een deel van dit teruggekaatste licht in je ogen valt.

Slide 1 - Tekstslide

Introductie
In het donker zie je bijna niets. Alleen als er licht van een voorwerp op je ogen valt, kun je dat voorwerp zien. De meeste voorwerpen geven zelf geen licht, waardoor je ze in het donker vaak niet goed kunt zien.

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
6.1.1 Je kunt voorbeelden noemen van natuurlijke en kunstmatige lichtbronnen.
6.1.2 Je kunt schematisch lichtstralen tekenen.
6.1.3 Je kunt uitleggen hoe je voorwerpen om je heen kunt zien die zelf geen licht geven.
6.1.4 Je kunt de schaduw van een voorwerp tekenen.
6.1.5 Je kunt uitleggen welke schaduwbeelden ontstaan als een voorwerp verlicht wordt door één lamp of door twee lampen.

Slide 3 - Tekstslide

Lichtbronnen
Een voorwerp dat zelf licht geeft, noem je een lichtbron. De zon en de sterren zijn natuurlijke lichtbronnen. Kaarsen, lampen en tl-buizen zijn kunstmatige lichtbronnen (afbeelding 1). Kunstmatige lichtbronnen zijn door de mens gemaakt.

Slide 4 - Tekstslide

Licht komt van een..............

Slide 5 - Open vraag

6.1 Licht en schaduw

Slide 6 - Tekstslide

Lichtstralen
Als een lamp brandt, straalt hij licht uit. Het licht beweegt alle kanten op en gaat van de lamp af. Dat kun je aangeven door lichtstralen te tekenen (afbeelding 2).

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Hoe lichtstralen bewegen

Die lichtstralen zijn recht, want licht beweegt langs rechte lijnen. Je ziet de lamp als een deel van dit licht in je ogen valt.

Hoe verder je bij de lamp vandaan gaat, des te zwakker wordt het licht. Dat zie je ook aan de lichtstralen: die bewegen steeds verder uit elkaar. 

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Is de uitspraak waar of onwaar?
Als een voorwerp licht diffuus terugkaatst, gaat het licht alle kanten op.
A
waar
B
niet waar

Slide 11 - Quizvraag

ENTREE TICKET 
START OPDRACHT

zitten volgens plattegrond

Slide 12 - Tekstslide

De maan

De maan geeft zelf geen licht. Je kunt de maan zien doordat die het licht van de zon terugkaatst. Wanneer de verlichte kant van de maan naar je toegekeerd is, zie je een volle maan. Maar als de donkere kant van de maan naar je toegekeerd is, zie je niets.

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Schaduwbeelden maken
Als een voorwerp het licht van de lichtbron tegenhoudt, ontstaat er een schaduw. Dat is een gebied waar het licht niet rechtstreeks kan komen (afbeelding 4).

Omdat licht langs rechte lijnen beweegt, kun je op een eenvoudige manier de schaduw van een voorwerp tekenen (afbeelding 5).
1 Teken de lichtstralen die net niet door het voorwerp tegengehouden worden. Deze heten de randstralen.
2 Kleur het gebied achter het voorwerp dat tussen de twee randstralen in ligt. Dit is het gebied waar het licht niet rechtstreeks kan komen: het schaduwgebied.

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Bekijk de afbeelding.
Wat is in deze afbeelding met rode pijlen getekend?
A
de buitenste lichtstralen die een lamp uitzendt
B
de eerste lichtstralen die worden tegengehouden door de auto
C
de lichtstralen die net niet worden tegengehouden door de auto
D
het gebied

Slide 18 - Quizvraag

Kernschaduw en halfschaduw
Als een voorwerp door één klein lampje wordt verlicht, krijg je een duidelijk schaduwbeeld. De overgang van licht naar donker is scherp. Als een voorwerp door twee lampjes wordt verlicht, ontstaan er twee schaduwbeelden (afbeelding 6).

 


Slide 19 - Tekstslide

Op de plaats waar die beelden over elkaar heen vallen, is de schaduw het donkerst. Dit noem je de kernschaduw. Het licht van de twee lampjes kan hier niet komen.
Links en rechts van de kernschaduw zie je een lichtere halfschaduw. Hier kan het licht van het ene lampje wel komen, maar dat van het andere lampje niet. In afbeelding 7 zie je hoe dit werkt.

Slide 20 - Tekstslide

Een tafel wordt verlicht door twee hanglampen. Als je je hand boven de tafel houdt, zie je verschillende schaduwen.
Hoe noem je de donkere schaduw in het midden?
Dit noem je de ............….........schaduw.

Slide 21 - Open vraag

Slide 22 - Tekstslide

In de figuur zie je dat een langwerpige lichtbron op een tafel schijnt. Er ontstaan twee soorten schadIn de figuur zie je dat een langwerpige lichtbron op een tafel schijnt. Er ontstaan twee soorten schaduw.
Vul de juiste woorden in.
In de figuur is het donkerroze gedeelte de. A ..………………..
Het lichtroze gedeelte in de figuur is de B...……………………….uw.
Vul de juiste woorden in.
In de figuur is het donkerroze gedeelte de. A ..………………..
Het lichtroze gedeelte in de figuur is de B...……………………….

Slide 23 - Open vraag

Opdrachten maken
Wat: 
Hoe: helemaal stil! muziek mag in! 
Hulp:
Tijd:  
Huiswerk:  
Klaar?: ga bezig met een ander vak! 

Slide 24 - Tekstslide

H6 licht - 6.2 spiegelbeelden

Slide 25 - Tekstslide

Terugblik naar de vorige lessen
-> Wat is:
  • Diffuus terugkaatsen?  TERUGKAATSEN IN ALLE RICHTINGEN
  • Halfschaduw? HET GEBIED IN DE SCHADUW WAAR SLECHTS EEN KLEIN DEEL VAN HET LICHT KAN KOMEN
  • Kernschaduw? HET GEBIED IN DE SCHADUW WAAR HELEMAAL GEEN LICHT KOMT
  • Kunstmatige lichtbron? LICHTBRON DIE DOOR DE MENS IS GEMAAKT

Slide 26 - Tekstslide

Leerdoelen voor vandaag
  • Je kunt uitleggen dat een spiegelbeeld op belangrijk punten verschilt van de werkelijkheid
  • Je kent de spiegelwet en kan deze toepassen

Slide 27 - Tekstslide

Terugblik naar de vorige lessen
Schrijf het op in je schrift
-> Wat is:
  • Diffuus terugkaatsen?
  • Halfschaduw?
  • Kernschaduw?
  • Kunstmatige lichtbron?

timer
5:00

Slide 28 - Tekstslide

Waarvoor gebruiken wij spiegels?
  • persoonlijke verzorging
  • microscoop
  • telescoop
  • architectuur

Slide 29 - Tekstslide

Hoe verschilt het spiegelbeeld van de werkelijkheid

Slide 30 - Tekstslide

Hoe verschilt het spiegelbeeld van de werkelijkheid?
(leerdoel)

Slide 31 - Tekstslide

SPIEGELBEELD TEKENEN
VOORDOEN

OPDRACHT 7 MAKEN OP WERKBLAD


timer
2:00

Slide 32 - Tekstslide

De spiegelwet
hoek van inval
=
hoek van terugkaatsing
∠i = ∠t

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Tekstslide

een lichtstraal valt met een hoek van 45 graden op een spiegel. Met welke hoek kaatst het licht terug
A
15 graden
B
30 graden
C
45 graden
D
60 graden

Slide 35 - Quizvraag

Hoe heet de lijn die we loodrecht op de spiegel tekenen?
A
hoek van inval
B
hoek van terugkaatsing
C
spiegellijn
D
normaal

Slide 36 - Quizvraag

Als je in een spiegel kijkt dan...?
A
gaat het kapot
B
zie je jezelf op de kop
C
lijkt het of je even ver achter de spiegel staat als je ervoor staat
D
wordt je gezichtsveld kleiner

Slide 37 - Quizvraag

hoe ziet je spiegelbeeld eruit in een gewone spiegel?
A
even groot als jezelf
B
groter dan jezelf
C
kleiner dan jezelf
D
op de kop

Slide 38 - Quizvraag

Wat is het verschil tussen de spiegelwereld en de echte wereld?
A
De spiegelwereld is virtueel (niet echt)
B
In de spiegelwereld geldt de spiegelwet en niet de Grondwet
C
In de spiegelwereld is Sneeuwwitje de mooiste
D
Alle antwoorden zijn goed

Slide 39 - Quizvraag

Hoe luidt de spiegelwet?
A
De lichtstraal van inval is gelijk aan de lichtstraal van terugkaatsing
B
De hoek van normaal is gelijk aan de hoek van terugkaatsing
C
De hoek van inval is gelijk aan de hoek van de normaal
D
De hoek van inval is gelijk aan de hoek van terugkaatsing

Slide 40 - Quizvraag

Slide 41 - Tekstslide

Slide 42 - Tekstslide

Boek blz 81:

Slide 43 - Tekstslide

Slide 44 - Tekstslide

H6 licht - 6.3 Licht en kleur

Slide 45 - Tekstslide

Leerdoelen 6.3 Licht en kleur
  1. Je kunt uitleggen wat een spectrum is en hoe je een spectrum zichtbaar maakt.
  2. Je kunt uitleggen wat je met een zakspectroscoop kunt onderzoeken.
  3. Je kunt uitleggen hoe je een voorwerp met een bepaalde kleur ziet bij verschillende kleuren licht.

Slide 46 - Tekstslide

Het kleurenspectrum
Het witte zonlicht bestaat uit alle kleuren van de regenboog. 
Dat zie je als je zonlicht op een prisma laat vallen, zoals in de opstelling van afbeelding 2. 
  • Je kunt de verschillende kleuren licht ook weer       samenvoegen. 
  • Je krijgt dan weer wit licht.

Slide 47 - Tekstslide

Slide 48 - Tekstslide

Je kunt uitleggen wat een spectrum is en op welke manier je dat zichtbaar kunt maken


Slide 49 - Tekstslide

De zakspectroscoop
Met een zakspectroscoop kun je de samenstelling van licht onderzoeken (afbeelding 3). 
Als je in de spectroscoop kijkt, zie je een spectrum van het licht van de lamp.
Je kunt zo zien uit welke kleuren het licht bestaat.

Slide 50 - Tekstslide

De zakspectroscoop
De meeste lampen geven licht dat uit verschillende kleuren bestaat (afbeelding 4). Normaal gesproken zie je die kleuren niet; je ziet alleen een mengkleur. In het licht van een halogeenlamp zitten bijvoorbeeld alle kleuren van de regenboog. Toch heeft het licht van een halogeenlamp geen duidelijke kleur – het is een beetje gelig.

Slide 51 - Tekstslide

Gekleurde voorwerpen zien

Slide 52 - Tekstslide

Slide 53 - Tekstslide

  • Licht dat niet wordt teruggekaatst, wordt geabsorbeerd (=opgenomen).
  • Het licht wordt dan omgezet in warmte.


Gekleurde voorwerpen zien

Slide 54 - Tekstslide

Aan de slag!
Maak de opdrachten van paragraaf 6.3
1 t/m 12

Slide 55 - Tekstslide

Afsluiting: we weten....
  1. Je kunt uitleggen wat een spectrum is en hoe je een spectrum zichtbaar maakt.
  2. Je kunt uitleggen wat je met een zakspectroscoop kunt onderzoeken.
  3. Je kunt uitleggen hoe je een voorwerp met een bepaalde kleur ziet bij verschillende kleuren licht.

Slide 56 - Tekstslide

H6. Licht
§6.4 Infrarode en ultraviolette straling

Slide 57 - Tekstslide

Programma 
  • Startopdracht 6.3
  • Uitleg 6.4
  • Maken Opdrachten 6.4
  • Nakijken Opdrachten 6.3 + 6.4


Slide 58 - Tekstslide

Programma
  • Herhaling vorige les
  • IR en UV licht

Volgende les: Oefentoets H6
Let op! Alle opdrachten van H6.1 t/m 6.4 moeten af zijn en nagekeken!
Dinsdag 4 juni: Toets H6

Slide 59 - Tekstslide

Slide 60 - Tekstslide

Slide 61 - Tekstslide

Doelen
Aan het einde van de les kan ik:
  1. aangeven waar infrarode en ultraviolette straling zich in het spectrum bevinden
  2. kenmerken en toepassingen noemen van infrarode en ultraviolette straling
  3. uitleggen wat de gevaren zijn van uv-straling
Hoofdstuk 6. Licht 
§6.4 Infrarode en ultraviolette straling

Slide 62 - Tekstslide

2 extra kleuren
Er zijn 2 kleuren die wij niet kunnen zien. 


InfraRood betekend letterlijk 'voor rood'
UltraViolet betekend letterlijk 'voorbij het violet' 
Hoofdstuk 6. Licht 
§6.4 Infrarode en ultraviolette straling

Slide 63 - Tekstslide

Het spectrum




Hoofdstuk 6. Licht 
§6.4 Infrarode en ultraviolette straling

Slide 64 - Tekstslide

Kleurenspectrum: (IROGGBVU) infrarood/rood/oranje/geel/groen/blauw/violet/ultraviolet
§6.3 Licht en kleur
Het kleurenspectrum

Slide 65 - Tekstslide

Toepassingen IR-straling

Slide 66 - Woordweb

Toepassingen van IR-straling


Hoofdstuk 6. Licht 
§6.4 Infrarode en ultraviolette straling

Slide 67 - Tekstslide

Slide 68 - Tekstslide

Toepassingen IR straling
  1. afstandsbediening tv
  2. buitenlamp met infraroodsensor
  3. alarminstallaties
  4. winkeldeuren die automatisch openen en sluiten
  5. nachtkijkers

Slide 69 - Tekstslide

Leg uit hoe kan kan dat je in de schaduw tocht bruin kunt worden.

Slide 70 - Open vraag

Ultra-violet (UV-licht)
Naast violet hoort Ultraviolet licht.

Dit licht wordt ook UV-straling genoemd, 
je wordt er bruin van en van teveel 
UV licht verbrand je.

Slide 71 - Tekstslide

Toepassingen UV-straling

Slide 72 - Woordweb

Toepassingen van UV-licht 



Hoofdstuk 6. Licht 
§6.4 Infrarode en ultraviolette straling

Slide 73 - Tekstslide

Ultraviolet licht
Uv-licht zit in het spectrum naast violet en zorgt voor het bruin kleuren van je huid na een dag in de zon. 
 Teveel uv-licht kan uiteindelijk huidkanker veroorzaken. 
Uv-licht kom je ook tegen in een zonnebank.
 En in een aquariumpomp zit een uv-lamp. Het uv-licht zorgt ervoor dat algen in het water doodgaan.

Slide 74 - Tekstslide

wat heb je aan uv-licht
bankbiljet controle
paspoort controle
insecten kunnen uv zien
   
blacklight

Slide 75 - Tekstslide

Noem twee gevolgen wat er met je huid kan gebeuren als je te lang in de zon zit

Slide 76 - Open vraag

Zonnebrandcrème
Beschermingsfactor geeft aan hoeveel langer je in de zon kunt blijven.
Zonder crème 5 minuten lang zonnen
5 x 50 = 250 minuten lang zonnen

De ozonlaag beschermt ons ook tegen UV-licht

Slide 77 - Tekstslide

Aan de slag!

Lezen §6.4 
Maken opdracht: 1 t/m 6 , 9 t/m 13

Klaar? Nakijken (6.3)


Hoofdstuk 6. Licht 
§6.4 Infrarode en ultraviolette straling

Slide 78 - Tekstslide

Welke soort straling voel je als warmte op je huid?
A
Infrarood
B
Ultraviolet

Slide 79 - Quizvraag

Welk soort straling wordt gebruikt in een bewegingssensor?
A
Infrarood
B
Ultraviolet

Slide 80 - Quizvraag

Warmtestraling is hetzelfde als
A
Ultraviolette straling
B
Zichtbaar licht
C
Infrarood straling
D
Alle antwoorden zijn juist

Slide 81 - Quizvraag

Welk apparaat werkt met infrarood straling?
A
Broodrooster
B
Frituurpan
C
Magnetron
D
Kookeiland

Slide 82 - Quizvraag