1. Verdeel de rollen.
• Een persoon is de klant
• Een persoon is de ober.
-> schrijf de zinnen.
2. Dit moet er allemaal in je toneelstuk:
a. De ober neemt de bestelling op.
b. De klant bestelt een voorgerecht, een hoofdgerecht en een nagerecht.
c. De klant stelt een vraag over het eten en de ober geeft antwoord.
Leer uit je hoofd!!!! Morgen laten zien.