Woordsoorten: ww, zn, lw

Goedemorgen klas 2C

Vandaag...

- stillezen
- Lezen hoofdstuk 1
Goedemorgen klas 1B

Vandaag...
- Woordsoorten herhalen
- s.o. tl bespreken






Leerdoelen:

Huiswerk
Zie weekplanner
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Goedemorgen klas 2C

Vandaag...

- stillezen
- Lezen hoofdstuk 1
Goedemorgen klas 1B

Vandaag...
- Woordsoorten herhalen
- s.o. tl bespreken






Leerdoelen:

Huiswerk
Zie weekplanner

Slide 1 - Tekstslide

Woordsoorten tl

- werkwoord
- lidwoord
- zelfstandig naamwoord
- bijvoeglijk naamwoord
- voorzetsel
Woordsoorten havo

- werkwoord
- lidwoorden (bepaald en onbepaald)
- zelfstandig naamwoord
- bijvoeglijk naamwoord en stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
- voorzetsel en vast voorzetsel

Slide 2 - Tekstslide

s.o. van morgen:
Theorie:
- leer de theorie

Oefenen:
- online: oefentoetsen (met name mixopdrachten) en  trainen
- www.cambiumned.nl 

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

§1 grammatica: werkwoorden
- Ieder woord hooft bij een bepaalde woordsoort.
- Eén van die woordsoorten is het werkwoord.
- Een werkwoord geeft aan wat iets of iemand doet of overkomt. Het 
  geeft aan wat er gebeurt in een zin.

- Vaak heeft een werkwoord een duidelijke betekenis: 
  lopen, fietsen, lachen, tekenen, krijgen, betalen, maken
- Soms heeft een werkwoord een onduidelijke betekenis:
  worden, zijn, kunnen, moeten, mogen

Slide 5 - Tekstslide

H1 Taalverzorging grammatica: werkwoorden
- Iedere zin bevat ten minste één werkwoord, maar het kunnen er ook meer zijn.

- Een werkwoord kun je vervoegen. Dat betekent dat het in verschillende vormen voor kan komen: kijken - kijk - kijkt - keek - keken - gekeken

- De wij-vorm van het werkwoord noem je ook wel het hele werkwoord, de woordenboekvorm of de infinitief.

Slide 6 - Tekstslide

Wat is het werkwoord in de volgende zin?
Moniek zingt de sterren van de hemel.

Slide 7 - Open vraag

Wat is het werkwoord in de volgende zin?
Onze docent aardrijkskunde vertelt de prachtigste verhalen.

Slide 8 - Open vraag

Wat is het werkwoord in de volgende zin?
Kletst jouw zusje altijd zo veel?

Slide 9 - Open vraag

Wat weet je van
het zelfstandige naamwoord?

Slide 10 - Woordweb

Bij welke woordgroep horen
'de', 'het' en 'een'?
A
lidwoord (lw)
B
bijvoeglijk naamwoord (bn)
C
zelfstandig naamwoord (zn)
D
werkwoord (ww)

Slide 11 - Quizvraag

Hoe benoem je woorden als 'lopen', 'lachen', 'luieren' en 'lasergamen'?
A
lidwoord (lw)
B
bijvoeglijk naamwoord (bn)
C
zelfstandig naamwoord (zn)
D
werkwoord (ww)

Slide 12 - Quizvraag

In welk rijtje staan alléén zelfstandig naamwoorden (zn)?
A
sleutel, grote, Amsterdam
B
Robert, laptop, koffiekop
C
IJssel, blauwe, kindje
D
lijmpot, verliefd, Zwolle

Slide 13 - Quizvraag

In welk rijtje staan stoffelijk bijvoeglijk naamwoorden (bn)?
A
lieve, aardige, leuke
B
saaie, langdradige, vervelende
C
gouden, houten, ijzeren
D
roze, paarse, groene

Slide 14 - Quizvraag

Lidwoord (lw)

- Er zijn drie lidwoorden: de, het en een.

- De en het zijn bepaalde lidwoorden (blw).
- Een is een onbepaald lidwoord (olw).

- Een lidwoord staat altijd voor een zelfstandig naamwoord (zn).
 Let op: soms staat er een bijvoeglijk naamwoord tussen het  
 lidwoord en het zelfstandig naamwoord.

- Let op: een betekent soms niet een, maar één

Slide 15 - Tekstslide

Wat zijn de lidwoorden in de zin
'De gele stift ligt op een houten tafel'?

Slide 16 - Open vraag

Zelfstandig naamwoord (zn)
- Het zn is op heel veel manieren te herkennen:
       > Er kan een lidwoord of bijvoeglijk naamwoord staan.
       > Het zijn vaak GeMeDiPlaDi: gevoel, mensen, dieren, planten, dingen.
       > Je kunt er vaak een verkleinwoord van maken.
       > Je kunt er vaak een meervoudsvorm van maken.

- Ook (aardrijkskundige) namen zijn zn!

Slide 17 - Tekstslide

De gele stift ligt op een houten tafel.
'stift' is een zn, want...
- het is een gemedipladi (ding)
- er staat een lidwoord voor (de)
- er staat een bijvoeglijk naamwoord voor (gele)
- je kunt er een verkleinwoord van maken (stiftje)
- je kunt er een meervoudsvorm van maken (stiften)
        

Slide 18 - Tekstslide

En nu...
Maken van cursus 5
- paragraaf 3

Slide 19 - Tekstslide

Woordsoorten: ww, zn, lw

Slide 20 - Tekstslide