H5 5.5 + 5.6

H5 5.5 + 5.6
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
MaatschappijleerVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

H5 5.5 + 5.6

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Deze les
1. Vorige les 
2. Par. 5.5 
3. Par. 5.6 
4. Werken in het boek 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Trias politica betekent: de scheiding der machten
A
waar
B
niet waar

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Iedere handeling van de overheid moet gebaseerd zijn op een wet.
A
wetgevende macht
B
uitvoerende macht
C
rechtelijke macht
D
legaliteitsbeginsel

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Als je een conflict hebt met een andere burger heb je: burgerlijk recht.
Als je een conflict hebt met de overheid heb je: bestuursrecht.
A
waar
B
niet waar

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In een autoritaire staat houden de machthebbers zich aan de wet.
A
waar
B
niet waar

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Leg uit in je eigen woorden wat er in de grondwet staat.

Slide 7 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

5.5 Opgepakt... en dan?

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een verdachte
Is iemand van wie de politie denkt dat die iets strafbaars heeft gedaan.


- Wat mag de politie dan? 

Slide 9 - Tekstslide

Pas als je verdachte bent van een misdrijf mag de politie:
• je fouilleren
• je arresteren
• je huis doorzoeken op zoek naar bewijsmateriaal

Wat schrijft de politie na afloop van het onderzoek?
A
celstraf
B
een boete
C
een proces-verbaal
D
een verdachte

Slide 10 - Quizvraag

Begrip: een speciaal politieverslag over het misdrijf en de verdachte.

Het Openbaar ministerie 
Alle officieren van justitie samen.


- het OM 
- officier van justitie 

Slide 11 - Tekstslide

Bij een zwaarder misdrijf gaat het proces-verbaal naar de officier van justitie. Deze beslist wat er met de verdachte gebeurt.

3 mogelijkheden
- De zaak seponeren 
- Zelf een straf opleggen 
- De verdachte vervolgen

Slide 12 - Tekstslide

1. de zaak komt niet voor de rechter 
2. een strafbeschikking (gevangenisstraffen tot max 6 jaar.)
3. de zaak komt wel voor de rechter 
De rechtszaak 
1. De rechter controleert de persoonsgegevens van de verdachte
2. De officier van justitie leest de aanklacht voor. De rechter,
officier en advocaten stellen vragen aan de verdachte
3. De rechter, officier van justitie en advocaten stellen vragen aan de getuigen

Slide 13 - Tekstslide

Via vaste volgorde. 
De rechtszaak 
4. De officier van justitie legt nog eens uit waarom de verdachte schuldig is en eist een straf
5. De advocaat weerlegt de standpunten van de officier
6. De verdachte krijgt als laatste het woord
7. Bij eenvoudige zaken neemt de rechter meteen een beslissing (het vonnis). Bij andere zaken volgt het vonnis twee weken later

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer ben je schuldig?

1. Heeft de verdachte het gedaan?
2. Gaat het om een strafbaar feit?
3. Is de verdachte strafbaar?




Slide 16 - Tekstslide

Een rechter moet drie vragen met ‘ja’ beantwoorden om te bepalen
of iemand schuldig is.
5.6 Straffen of voorkomen

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Er zijn verschillende mogelijkheden om te straffen, welke ken je?

Slide 18 - Open vraag

Een hoofdstraf (geldboete, gevangenisstraf, taakstraf)
Een bijkomende straf (bijvoorbeeld rijbewijs inleveren)
Een speciale maatregel (bijvoorbeeld een schadevergoeding
betalen)

Tbs
Een speciale maatregel is tbs: de terbeschikkingstelling.


- ontoerekeningsvatbaar 

Slide 19 - Tekstslide

Tbs is bedoeld voor mensen die ontoerekeningsvatbaar zijn: het
gepleegde delict kan de dader niet worden aangerekend vanwege een psychische stoornis.

Deze mensen worden behandeld in een tbs-kliniek. Ze komen pas
vrij als de artsen verklaren dat ze genezen zijn.

Jeugdstrafrecht 

Slide 20 - Tekstslide

strafrecht voor jongeren tussen 12 en 18 jaar die een zwaar misdrijf plegen.

Als je tussen 12 en 18 jaar oud bent en een licht misdrijf pleegt kan de politie je naar Halt sturen.
Werk je mee, dan krijg je geen strafblad.


Het straffen van criminelen heeft verschillende doelen, welke kun je noemen?

Slide 21 - Open vraag

• afschrikking
• de dader moet zijn of haar gedrag verbeteren (heropvoeding)
• de samenleving veiliger maken
• voorkomt eigenrichting
• vergelding/ wraak (criminelen moeten boeten voor hun misdrijf) 

Criminaliteit voorkomen:
A
repressie
B
preventie

Slide 22 - Quizvraag

Preventie is handelen vóór het delict. Bijvoorbeeld door te zorgen
voor meer toezicht. Dan wordt er minder gestolen.

Of naderhand met helpen verder te gaan met hun leven. Stage/ baan mogelijkheden. 

Criminaliteit onderdrukken:
A
repressie
B
preventie

Slide 23 - Quizvraag

Repressie is handelen ná het delict. Veroordeelde criminelen moeten langer de cel in. En er moeten extra agenten komen en justitie moet meer geld krijgen.

Werken in je boek
Maak de opdrachten van paragraaf 5.5 en 5.6.

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies