Ik kan mijn mening duidelijk geven over een onderwerp.
Ik kan minstens twee argumenten noemen om mijn mening te ondersteunen.
Ik kan in ongeveer één minuut een klas proberen te overtuigen.
Ik kan signaalwoorden gebruiken, zoals want, omdat, daarom, ten eerste, bovendien, maar.
Ik kan op een rustige en passende manier spreken voor de groep.
Ik kan luisteren naar de mening van anderen en daar respectvol op reageren.