Grammatica woordsoorten
Overzicht H1 (en een klein deel vooruitkijkend naar H2/3)
Grammatica woordsoorten
Overzicht H1 (en een klein deel vooruitkijkend naar H2/3)
Overzicht
Lidwoorden
Zelfstandige naamwoorden
Bijvoeglijke naamwoorden
Werkwoorden (H2/3)
Voorzetsel
Persoonlijk /bezittelijk voornaamwoord (H1/2)
Lidwoord
• De
• Het
• Een
• Horen altijd bij een zelfstandig naamwoord
Lidwoorden
De + het: bepaald lidwoord
Een: onbepaald lidwoord
Zelfstandig naamwoord
Mensen / eigennamen
Dieren
Dingen
Namen
Natuurverschijnsel
Je kunt er een lidwoord voorzetten
Bijvoeglijk naamwoord
Zegt iets over het zelfstandig naamwoord
Het staat meestal voor het zelfstandig naamwoord
Het blauwe tasje: blauwe is het bijvoeglijk naamwoord. Het zegt namelijk iets over het tasje
Werkwoord
Geeft aan wat iets of iemand doet in de zin
Laat zien in welke tijd de zin staat
Je kunt het vervoegen: ik loop - ik liep - ik heb gelopen
Grammatica H3: verschil tussen zww, kww en hww.
Voorzetsel
Geeft aan waar, wanneer of waarom iemand iets doet. Bijvoorbeeld:
Op, naast, onder, in, tussen, voor (waar)
Tijdens, sinds, tot, per (wanneer)
Vanwege (waarom)
Kastwoordjes
....... de vakantie / het schoolfeest
Telwoord
Een telwoord geeft een hoeveelheid of een orde in rang/rij aan:
Je bent de eerste die dat tegen mij zegt
Ik heb vandaag honderd euro verdiend
Sommige leerlingen zeggen dat we vrij zijn
Persoonlijk voornaamwoord
Een persoonlijk voornaamwoord vervangt een ZN.
Ze duiden dus (ook) mensen, dieren en dingen aan.
Waar is Jan naar toe gegaan? Hij is naar huis.
Zij gaan in februari trouwen.
Bezittelijk voornaamwoord
Een bezittelijk voornaamwoord geeft aan van wie iets is.
Dat is je vader die daar staat
Hé, blijf eens van mijn patatjes af!
Weet je wel zeker dat we aan hun spullen mogen komen?
De regering heeft haar standpunt ingenomen.
De gemeenteraad heeft zijn besluit moeten verantwoorden.
Een bezittelijk voornaamwoord staat altijd vóór het zelfstandig naamwoord ( = bezit)
Bezittelijk voornaamwoord
Dat is mijn boek!
Mijn = bezittelijk voornaamwoord.
Dat boek is van mij.
Mij = persoonlijk voornaamwoord.
Afkortingen
LW, ZN, BN, WW , VZ, TW, PVW en BVW
Lidwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord, voorzetsel, telwoord, persoonlijk voornaamwoord en bezittelijk voornaamwoord