2MH Grammatica woordsoorten (herhaling)

Grammatica woordsoorten

Overzicht H1 (en een klein deel vooruitkijkend naar H2/3)

1 / 20
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 20 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 20 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Grammatica woordsoorten

Overzicht H1 (en een klein deel vooruitkijkend naar H2/3)

Overzicht

  • Lidwoorden 

  • Zelfstandige naamwoorden

  • Bijvoeglijke naamwoorden

  • Werkwoorden (H2/3)

  • Voorzetsel

  • Persoonlijk /bezittelijk voornaamwoord (H1/2)

Lidwoord

• De 

• Het 

• Een 

• Horen altijd bij een zelfstandig naamwoord

Lidwoorden

  • De + het: bepaald lidwoord



  • Een: onbepaald lidwoord

Zelfstandig naamwoord

  • Mensen / eigennamen

  • Dieren

  • Dingen

  • Namen

  • Natuurverschijnsel

  • Je kunt er een lidwoord voorzetten

Bijvoeglijk naamwoord

  • Zegt iets over het zelfstandig naamwoord

  • Het staat meestal voor het zelfstandig naamwoord

  • Het blauwe tasje: blauwe is het bijvoeglijk naamwoord. Het zegt namelijk iets over het tasje

Werkwoord

  • Geeft aan wat iets of iemand doet in de zin

  • Laat zien in welke tijd de zin staat

  • Je kunt het vervoegen: ik loop - ik liep - ik heb gelopen



Grammatica H3: verschil tussen zww, kww en hww.

Voorzetsel

  • Geeft aan waar, wanneer of waarom iemand iets doet. Bijvoorbeeld:

  • Op, naast, onder, in, tussen, voor (waar)

  • Tijdens, sinds, tot, per (wanneer)

  • Vanwege (waarom)

  • Kastwoordjes

  • ....... de vakantie / het schoolfeest

Telwoord

  • Een telwoord geeft een hoeveelheid of een orde in rang/rij aan:

Je bent de eerste die dat tegen mij zegt

Ik heb vandaag honderd euro verdiend

Sommige leerlingen zeggen dat we vrij zijn

Persoonlijk voornaamwoord

  • Een persoonlijk voornaamwoord vervangt een ZN.

  • Ze duiden dus (ook) mensen, dieren en dingen aan.


Waar is Jan naar toe gegaan? Hij is naar huis.

Zij gaan in februari trouwen.



Bezittelijk voornaamwoord

  • Een bezittelijk voornaamwoord geeft aan van wie iets is.

Dat is je vader die daar staat

Hé, blijf eens van mijn patatjes af!

Weet je wel zeker dat we aan hun spullen mogen komen?

De regering heeft haar standpunt ingenomen.

De gemeenteraad heeft zijn besluit moeten verantwoorden.


  • Een bezittelijk voornaamwoord staat altijd vóór het zelfstandig naamwoord ( = bezit)

Bezittelijk voornaamwoord

Dat is mijn boek! 

Mijn = bezittelijk voornaamwoord.


Dat boek is van mij.

Mij = persoonlijk voornaamwoord.

Afkortingen

  • LW, ZN, BN, WW , VZ, TW, PVW en BVW



  • Lidwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord, voorzetsel, telwoord, persoonlijk voornaamwoord en bezittelijk voornaamwoord