Les 14:
Leren voor
een toets
Les 14:
Leren voor
een toets
Deze les hoort bij serie 3 van Wijzer in de klas en past goed in de weken voor de eerste toetsweek.
Leerlingen ontdekken dat de stof herlezen iets anders is dan de stof leren, en oefenen met drie manieren om zichzelf te testen.
Hoe leer jij eigenlijk voor een toets?
Introductie
Over de stof die je moet kennen heb je het al vaak gehad. Over hoe je die stof leert bijna nooit. Toch maakt dat veel verschil.
Laat leerlingen even nadenken over wat ze de vorige keer deden toen ze voor een toets of overhoring moesten leren.
Hoe leer jij meestal
voor een toets?
Ik lees de stof een paar keer door
Ik maak een samenvatting
Ik laat me overhoren
Ik maak oefenvragen of flitskaarten
Ik leer alles de avond van tevoren
Ik weet niet zo goed hoe
Poll
Bespreek kort de uitslag. De meeste brugklassers kiezen voor doorlezen: dat is heel normaal, want zo leerden ze het vaak op de basisschool.
Vraag een paar leerlingen hoe zeker ze zich na het doorlezen voelden, en of de toets daarna ook zo ging.
Lezen is nog geen leren
Als je de stof steeds opnieuw leest, voelt hij bekend. Maar iets herkennen is niet hetzelfde als het zelf weten.
Bij een toets ligt je boek niet open. Je moet het antwoord zelf uit je hoofd halen.
Daarom werkt het beter om jezelf te testen.
Uitleg
Dit heet in de leerpsychologie het oefen- of testeffect: wie informatie actief ophaalt, onthoudt die veel beter dan wie de stof alleen herleest.
Een voorbeeld dat leerlingen herkennen: je kunt een liedje meezingen als het aanstaat, maar zonder muziek weet je de tekst ineens niet meer.
Drie manieren om jezelf te testen
Overhoren
Laat iemand thuis vragen stellen over de stof. Wat je nog niet weet, oefen je opnieuw.
Flitskaarten
Vraag of begrip op de voorkant, antwoord op de achterkant. Leg de kaarten die je fout had apart.
Leeg blad
Boek dicht. Schrijf op wat je nog weet. Kijk daarna in je boek wat je vergeten was.
Drie manieren
Klik de kaarten een voor een in en vraag bij elke kaart wie deze manier al eens heeft geprobeerd.
Flitskaarten kunnen op papier, maar ook digitaal, bijvoorbeeld met een woordjesapp die bij jullie school in gebruik is.
Bij alle drie de manieren geldt: wat je fout had, is precies wat je nog moet oefenen. Fouten maken hoort bij het leren.
Sanne leest haar aantekeningen vijf keer door. Daan klapt zijn boek dicht en schrijft op wat hij nog weet.
Wie leert het slimst?
Sanne
Allebei even slim
Daan
Geen van beiden
Quiz
Daan leert het slimst: hij haalt de stof zelf uit zijn hoofd en ziet daarna meteen wat hij nog niet weet.
Sanne is niet lui, ze werkt hard. Maar na vijf keer lezen voelt alles bekend, en dan lijkt het alsof je het al kent. Bespreek met de klas hoe Sanne haar leertijd slimmer kan gebruiken.
minute
second
Opdracht: probeer het leeg blad
1. Kies een paragraaf die je deze week bij een vak hebt gehad.
2. Lees hem 3 minuten goed door.
3. Boek dicht! Schrijf in 3 minuten op wat je nog weet.
4. Boek open. Vul met een andere kleur aan wat je miste.
Opdracht
Laat leerlingen een paragraaf kiezen van een vak waarvoor binnenkort een toets of overhoring is. Gebruik de timer twee keer: 3 minuten lezen, 3 minuten opschrijven.
Laat ze daarna in een andere kleur aanvullen wat ze vergeten waren. Vraag: hoeveel wist je nog? Wat viel je op? De gekleurde stukken laten precies zien wat ze nog moeten oefenen.
Wil je verder? Laat leerlingen voor de volgende les vijf flitskaarten maken bij dezelfde paragraaf.
Afsluiting
Tips voor slim leren
Begin op tijd, niet de avond van tevoren
Leer in korte blokjes van 20 minuten
Test jezelf, lees niet alleen
Telefoon in een andere kamer
Slaap goed voor de toets
Afsluiting
Neem de tips een voor een door. Vraag bij de tip over korte blokjes of leerlingen weten waarom dat werkt: na een tijdje gaat je aandacht omlaag, en een korte pauze helpt je weer op te laden.
Sluit af met de vraag: "Welke manier ga jij gebruiken voor je volgende toets?"
In de volgende les gaan leerlingen hun toetsweek plannen.
Deze slide heeft geen instructies