H6 - §6.1 & §6.2 Licht en beeld - Breking

Welkom in de les
Vandaag:
  • lesdoelen §6.1
  • instructie §6.1
  • Maken opdrachten
  • lesdoelen §6.2
  • instructie §6.2
  • Maken opdrachten
  • Afsluiten les 

 


H6 - Licht
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Welkom in de les
Vandaag:
  • lesdoelen §6.1
  • instructie §6.1
  • Maken opdrachten
  • lesdoelen §6.2
  • instructie §6.2
  • Maken opdrachten
  • Afsluiten les 

 


H6 - Licht

Slide 1 - Tekstslide

Je leert ...
  • uitleggen wat primair en secundair licht is;
  • drie eigenschappen van licht noemen;
  • uitleggen welke drie dingen een oppervlak kan doen met licht dat erop valt;
  • het verschil tussen diffuus en spiegelend weerkaatsen aangeven;
  • uitleggen en herkennen wat spitslichtjes zijn;
  • spiegelbeelden construeren bij vlakke spiegels en daarmee lichtstralen construeren;
  • werken met de spiegelwet bij spiegelende oppervlakte;
  • uitleggen wat de vergrotingsfactor is.

Slide 2 - Tekstslide

§ 6.1 Licht en beeld
Waar bevindt zich de 
lichtbron die de stoel 
verlicht?

Verklaar waarom bepaalde dingen 
in de foto lichter  zijn, en 
bepaalde dingen donkerder.

Slide 3 - Tekstslide

Primair licht
Om te kunnen zien heb je licht nodig.
Je kunt een voorwerp alleen zien 
als er licht van dat voorwerp in 
je ogen komt.

Primair licht is afkomstig van een lichtbron

Slide 4 - Tekstslide

Secundair licht
Secundair licht is afkomstig van een voorwerp dat licht reflecteert.

Slide 5 - Tekstslide

primaire lichtbron
secundaire lichtbron
Plaats de voorwerpen in het juiste hokje

Slide 6 - Sleepvraag

Eigenschappen licht
  1. licht beweegt in een rechte lijn van de bron af met 300 000 km/s;
  2. kleur: je hersenen kennen aan verschillende soorten licht verschillende kleuren toe;
  3. de stralengang is omkeerbaar:  lichtstraal van A naar B , ook een lichtstraal mogelijk die precies de omgekeerde weg volgt

Slide 7 - Tekstslide

Zicht
Voor het waarnemen van licht heb je een lichtbron (lamp) en een ontvanger (oog)nodig.

Licht heeft geen tussenstof nodig.

Slide 8 - Tekstslide

Wat doet licht?
Licht valt op oppervlak:
1. absorbeert het licht
lichtenergie -> warmte energie
2. laat licht door
3. weerkaats (reflecteren)
- diffuus; alle kanten op
- spiegelend; één kant op

Slide 9 - Tekstslide

Spitslichtjes
  • Absorbeert een deel van het licht. De huid absorbeert sommige kleuren wel en andere niet, waardoor ze kleur krijgt.
  • Een deel van het licht weerkaatst ze spiegelend, daarom zie je er spitslichtjes op. Spitslichtjes zijn glinsteringen. Het zijn weerspiegelingen van de lichtbron.
  • Ze weerkaatst een deel van het licht diffuus, daarom kun je de huid vanaf alle kanten zien.



Slide 10 - Tekstslide

absorberen
Licht dat op een oppervlak valt kan drie dingen doen.

Het oppervlak absorbeert het licht.
Licht dat op een zwart oppervlak valt.

Slide 11 - Tekstslide

Doorlaten
Licht dat op een oppervlak valt kan drie dingen doen.


Het oppervlak laat licht door.
Dit gebeurt bijvoorbeeld bij glas.

Slide 12 - Tekstslide

diffuse weerkaatsing
Licht dat op een oppervlak valt kan drie dingen doen.
Het licht weerkaatst alle kanten op: diffuus.

Diffuse weerkaatsing op ruwe
 oppervlakken (papier/textiel)

Slide 13 - Tekstslide

spiegelende weerkaatsing
Licht dat op een oppervlak valt kan drie dingen doen.
Het licht weerkaatst één kant op: spiegelend.

Spiegelende weerkaatsing op 
gladde oppervlakken 
(spiegel/glad wateroppervlak)

Slide 14 - Tekstslide

Wat voor weerkaatsing
zie je hier?
A
glanzende weerkaatsing
B
diffuse weerkaatsing
C
spiegelende weerkaatsing
D
indirecte weerkaatsing

Slide 15 - Quizvraag

Hoe werkt lichtwaarneming
A
vlam --> tussenstof -- > oog
B
oog --> tussenstof --> vlam
C
vlam --> oog
D
oog --> vlam

Slide 16 - Quizvraag

Beeldvorming bij een spiegel.

1. Je kunt construeren met               de spiegelwet. 



2. Je kunt construeren met
    spiegelbeelden.

Slide 17 - Tekstslide

 De spiegelwet.  

                       
              
                hoek van inval
                   is gelijk aan
       hoek van terugkaatsing
i = t

Slide 18 - Tekstslide

Teruggekaatste stralen tekenen

Slide 19 - Tekstslide

construeren met spiegelbeeld
.



Slide 20 - Tekstslide


Hoe groot is de hoek van inval
A
30 graden
B
60 graden
C
90 graden
D
120 graden

Slide 21 - Quizvraag

Vergroten en verkleinen

De vergrotingsfactor geeft aan
hoeveel keer zo groot een beeld is
ten opzichte van een voorwerp. 

In een bolle spiegel is het beeld 
kleiner dan het voorwerp.
De vergrotingsfactor is kleiner dan 1.

Slide 22 - Tekstslide

Vergroten en verkleinen

De vergrotingsfactor geeft aan
hoeveel keer zo groot een beeld is
ten opzichte van een voorwerp.

In een holle spiegel is het beeld 
groter dan het voorwerp.
De vergrotingsfactor is groter dan 1.

Slide 23 - Tekstslide


Is het verkleinde beeld dichterbij, even ver of verder weg van de spiegel dan het voorwerp.
A
dichterbij
B
even ver
C
verder weg

Slide 24 - Quizvraag

§ 6.1 Licht en beeld
Waar bevindt zich de 
lichtbron die de stoel 
verlicht?

Verklaar waarom bepaalde dingen 
in de foto lichter  zijn, en 
bepaalde dingen donkerder.

Slide 25 - Tekstslide

Aan de slag!
Lezen §6.1 uit je boek

Maak de opgaven;
- zie huiswerkplanner Classroom

kies eventueel uit:
- route blauw
- route paars



Zs
timer
5:00

Slide 26 - Tekstslide

Aan de slag!
Lezen §6.1 uit je boek

Maak de opgaven;
- zie huiswerkplanner Classroom

kies eventueel uit:
- route blauw
- route paars



Zf

Slide 27 - Tekstslide

§6.2 - Breking: Je leert ...
  • schetsen hoe een lichtstraal naar de normaal toe breken als ze een stof ingaan;
  • schetsen hoe een lichtstraal van de normaal af breken als ze een stof uitgaan;
  • drie factoren noemen waar de sterkte van breking van afhangt;
  • de optische as en het brandpunt aangeven van een lens;
  • schetsen hoe een lens de lichtstralen breekt die evenwijdig aan de optische as lopen;
  • met breking verklaren dat een bolle lens een convergerende werking heeft en een holle lens een divergerende werking.

Slide 28 - Tekstslide

§ 6.2 Breking
Waarom zie je het lichaam 
onder water op een andere plek 
dan je zou verwachten?



Slide 29 - Tekstslide

Wat is breking?
Soms zie je een voorwerp op een andere plek 
dan de werkelijkheid.

Lichtstralen knikken bij het ingaan of uitgaan 
van een doorzichtige stof.

Breking is het knikken van lichtstralen. 

Slide 30 - Tekstslide

Factoren voor breking

  • Hoe schuiner het licht invalt hoe sterker de breking
  • Breking hangt af van kleur: violet licht breekt sterker dan roodlicht. 
  • Stof afhankelijk: lucht naar glas is sterkere breking dan lucht naar water. 

Slide 31 - Tekstslide

Wat is breking?
Lichtstralen die recht invallen breken niet
Prisma kan wit licht in alle kleuren van regenboog scheiden. violet licht breekt meer dan rood licht
Glas(Rechts)  breekt sterker dan water (links)

Slide 32 - Tekstslide

Breking van lucht naar glas
Breking vindt plaats bij ingaan en uitgaan van doorzichtige stoffen

Ingaan: 

- Lichtstralen breken naar de normaal toe. 
- Brekingshoek is kleiner dan invalshoek


Slide 33 - Tekstslide

Breking van glas naar lucht
Breking vindt plaats bij ingaan en uitgaan van doorzichtige stoffen
Uitgaan: 

- Lichtstralen breken van de normaal af. 
- De breking hoek is groter dan de invalshoek.


Slide 34 - Tekstslide

Lenzen
2 soorten lenzen: bolle en holle lenzen


Bolle lens: Positieve lens (+) en heeft een convergerende werking. 
Lichtstralen breken naar elkaar toe en komen samen in het brandpunt (F)
Hoe boller de lens hoe sterker de breking.

Holle lens: Negatieve lens (-) en heeft een divergerende werking 
Lichtstralen breken van elkaar af. 

Slide 35 - Tekstslide

Lenzen
F = brandpunt

Slide 36 - Tekstslide

Aan de slag!
Lezen §6.2 uit je boek


Maak:
- route groen

- route blauw
of
- route paars






Zs
timer
5:00

Slide 37 - Tekstslide

Wat weet je al???

Slide 38 - Tekstslide

Wat doet het glas
met licht?
A
absorberen
B
doorlaten
C
weerkaatsen
D
doorlaten en weerkaatsen

Slide 39 - Quizvraag

Bij welke van de volgende voorbeelden vindt spiegelende weerkaatsing plaats:
1. een glad wateroppervlak
2. een wit geverfde wand
3. een gepoetste glimmende auto
4. een beslagen spiegel
A
1 en 2
B
2 en 3
C
1 en 3
D
2 en 4

Slide 40 - Quizvraag


Hoe noem je de glinsteringen op de foto.

Slide 41 - Open vraag

Als je jezelf bekijkt in een vlakke spiegel, is dan je spiegelbeeld dichterbij, even ver of verder weg van de spiegel dan jezelf.
A
dichterbij
B
even ver
C
verder weg

Slide 42 - Quizvraag

Bij een bolle spiegel ...
A
wordt het beeld verkleint
B
blijft het beeld even groot
C
wordt het beeld vergroot

Slide 43 - Quizvraag

Als het beeld groter is dan het voorwerp is de vergrotingsfactor ...
A
groter dan 1
B
kleiner dan 1
C
groter dan 0
D
kleiner dan 0

Slide 44 - Quizvraag

Je kunt...
  • uitleggen wat primair en secundair licht is;
  • drie eigenschappen van licht noemen;
  • uitleggen welke drie dingen een oppervlak kan doen met licht dat erop valt;
  • het verschil tussen diffuus en spiegelend weerkaatsen aangeven;
  • uitleggen en herkennen wat spitslichtjes zijn;
  • spiegelbeelden construeren bij vlakke spiegels en daarmee lichtstralen construeren;
  • werken met de spiegelwet bij spiegelende oppervlakte;
  • uitleggen wat de vergrotingsfactor is.




Slide 45 - Tekstslide

Ja, dat kan ik!
😒🙁😐🙂😃

Slide 46 - Poll