Ondersteunen bij beperkingen en stoornissen

Ondersteunen bij beperkingen en stoornissen
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quiz, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Ondersteunen bij beperkingen en stoornissen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoel
Je kunt uitleggen wat stoornissen en beperkingen zijn en weet welke rol jij hebt bij de ondersteuning van cliënten met een stoornis of een beperking.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stoornis, beperking en handicap

De begrippen stoornis, beperking en handicap worden vaak door elkaar gebruikt. In de zorg heeft elk begrip een aparte betekenis.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stoornis
  • Een stoornis wordt vastgesteld door een arts of specialist
  • Een stoornis kan aangeboren zijn of later ontstaan
  • Een stoornis is niet altijd zichtbaar
  • Een stoornis zegt niets over iemands waarde of mogelijkheden, alleen dat iemand extra ondersteuning kan nodig hebben

Slide 4 - Tekstslide

Voorbeelden van lichamelijke stoornissen

Slechtziendheid of blindheid
Doofheid of slechthorendheid
Een aangeboren hartafwijking
Epilepsie
Diabetes

Voorbeelden van psychische / verstandelijke stoornissen

Autisme
ADHD
Dyslexie
Een verstandelijke beperking
Depressie
Beperking
Een beperking ontstaat wanneer een stoornis het dagelijks leven hindert, bijvoorbeeld bij verzorging, bewegen of communiceren.
Een beperking kan lichamelijk, verstandelijk of meervoudig zijn.
Met aanpassingen en ondersteuning kunnen activiteiten makkelijker worden uitgevoerd.

Slide 5 - Tekstslide

Voorbeelden van lichamelijke beperkingen

  • Moeite met lopen of rolstoelgebonden zijn
  • Beperkte hand- of armfunctie
  • Snel vermoeid zijn bij dagelijkse activiteiten
  • Moeite met traplopen

Voorbeelden van verstandelijke beperkingen

  • Moeite met leren en begrijpen
  • Langzamer informatie verwerken
  • Moeite met plannen en overzicht houden

Voorbeelden van zintuiglijke beperkingen

  • Slecht zien, ook met bril
  • Slecht horen, ook met gehoorapparaat
  • Voorbeelden van communicatieve beperkingen
  • Moeite met praten
  • Moeite met lezen en schrijven
  • Moeite met duidelijk maken wat je bedoelt
Handicap
Een handicap ontstaat wanneer iemand moeilijk volledig kan meedoen in de samenleving, bijvoorbeeld op school, op het werk of bij sociale activiteiten.
Aanpassingen kunnen dit toegankelijker maken, zoals rolstoelhellingen of extra tijd bij examens.

Slide 6 - Tekstslide

De cliënt op de foto heeft een dwarslaesie (stoornis) en kan daardoor niet lopen (beperking). Hij beweegt zich zelfstandig voort met een rolstoel, maar zonder hulp kan hij geen trap op (handicap).

Slide 7 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Samenvatting
  • Stoornis = wat er in het lichaam of hoofd anders is
  • Beperking = wat iemand moeilijk kan
  • Handicap = waar iemand tegenaan loopt in de samenleving

Slide 8 - Tekstslide

Voorbeeld: iemand zit in een rolstoel

Stoornis
Er is iets mis met de benen (bijvoorbeeld door een ongeluk).

Beperking
De persoon kan niet lopen of traplopen.

Handicap
De school heeft alleen trappen, dus de persoon kan het lokaal niet in.

“De handicap zit niet in de persoon, maar in de omgeving.”
De ernst van stoornissen, beperkingen en handicaps 
De ernst van een stoornis, beperking of handicap verschilt per persoon.
Dit hangt af van persoonlijke kenmerken, zoals leeftijd en gezondheid, en van de omgeving, zoals ondersteuning en aanpassingen.

Slide 9 - Tekstslide

Iemand met dezelfde stoornis kan in de ene situatie meer last ervaren dan in een andere, bijvoorbeeld door wel of geen ondersteuning.
Invloed van persoonlijke kenmerken
  • Karakter: Hoe iemand met problemen omgaat.
  • Lichaam: Wat iemand nog kan en leert aanpassen.
  • Verstand: Wat iemand begrijpt en kan leren, zoals omgaan met digitale hulpmiddelen.

Slide 10 - Tekstslide

Persoonlijke kenmerken, zoals karakter, motivatie, vaardigheden en zelfvertrouwen, bepalen hoeveel last iemand ervaart.

Persoonlijke kenmerken – voorbeelden

Karakter:
Iemand die positief is en doorzet, ervaart vaak minder hinder dan iemand die snel opgeeft.

Lichamelijke mogelijkheden:
Iemand leert taken op een andere manier doen, bijvoorbeeld schrijven met de andere hand.

Verstandelijke vaardigheden:
Iemand die goed met computers kan omgaan, gebruikt makkelijker digitale hulpmiddelen.

Motivatie:
Een gemotiveerde student vraagt sneller om hulp en blijft oefenen.

Zelfvertrouwen:
Iemand met meer zelfvertrouwen durft eerder aan te geven wat hij of zij nodig heeft.
Invloed van de omgeving
Steun van anderen:
Familie, vrienden en professionals kunnen ondersteuning bieden.
Hulpmiddelen:
Hulpmiddelen zoals rolstoelen en hoorapparaten verkleinen beperkingen.
Toegankelijkheid:
Bereikbare gebouwen en aangepast vervoer vergroten de zelfstandigheid.
Houding van mensen:
Een positieve houding voorkomt uitsluiting.
Wetten en regels:
Deze beschermen rechten en zorgen voor toegang tot onderwijs en werk.

Slide 11 - Tekstslide

Voorbeeld: dyslexie

Stoornis:
Dyslexie (problemen met lezen en spellen).
Beperking:
Lezen en schrijven kost meer tijd en moeite.
Handicap:
Een toets met veel tekst en weinig tijd.
Invloed van de omgeving:
Extra tijd bij toetsen of gebruik van voorleessoftware.

Dyslexie is een stoornis.
Moeite met lezen is de beperking.
Een strenge toets zonder extra tijd kan een handicap zijn.
Opdracht
  • Ga naar Its Learning ADL
  • Maak de opdracht  Ondersteunen bij beperkingen en stoornissen en lever dit in 
  • Bijbehorende Theorie Thieme Meulenhoff Hoofdstuk  3.1 

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Evaluatie

Slide 13 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies