instructie moedertaal - taal compleet - lezen en schrijven Alfa

Instructie Taal Compleet

Lezen en schrijven - Alfa

ISK/AMV Breda

1 / 29
volgende
Slide 1: Slide
newEditorMentorlesISK

In deze les zitten 29 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Instructie Taal Compleet

Lezen en schrijven - Alfa

ISK/AMV Breda

Deze slide heeft geen instructies

inhoudsopgave

Algemene uitleg

3.      materialen

4.  zelfstandig werken

5. inloggen laptop

6. uitleg methode lezen en schrijven

7. uitleg volgorde

8.     Klank teken koppeling

9.     Koppelen moedertaal

10.    Opdrachten via laptop.

 

schrijven

11.       Schrijfhouding, pengreep

12.     Schrijven letters: richting

13.      Schrijven letters; overtrekken.

14.      letterpositie in regel


Lezen

15.    koppel aan klank

16.   Begrijp en schrijf een woord

17.   luister naar je stem

18. begrijp wat je leest

 

tips

20.  Tempo

21.  Kijk terug

22.  afwisseling

23.  huiswerk;

instructie en nabespreking

24.  algemene instructie voor een les
25. nabespreking individueel

26. nabespreking tweetallen

27. nabespreking feedback

 

 

 

Deze slide heeft geen instructies

1. Je leert lezen en schrijven.

2. Je gebruikt een laptop en een boek.

3. Op de laptop hoor je de klank van de letter en zie je de letter.

4. In het boek schrijf je de letter.

5. Je schrijft in je boek met een potlood en gum.

   

3: materiaal

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

   1. Je werkt deze les vaak alleen.

2. Je werkt in jouw eigen tempo.

3. Soms doen we iets samen.

4. De docent kijkt mee en helpt als het nodig is.


4: zelfstandig werken

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.


1. Log in met je inlogcode en wachtwoord.

2. Open een nieuw tabblad. Typ: leren.kleurrijker.nl

3. Log in met de andere inlogcode en wachtwoord.

4. Klik op het plaatje van het boek Lezen en Schrijven.

5. Klik op het goede hoofdstuk.

6 maak de opdrachten.

5: inloggen laptop

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1. Elke letter heeft een eigen klank en vorm.

2. Eerst kijk je op de laptop naar één letter en luister je naar de klank.

3. Daarna schrijf je de letter in je boek.

4. Je doet dit altijd in dezelfde volgorde:

a. Eerst de letter horen op de laptop

b. Dan schrijven in het boek

5. Zo leer je goed lezen en schrijven.


6: uitleg methode lezen-schrijven

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1. Maak alle opdrachten op de laptop van een hoofdstuk.

bijvoorbeeld hoofdstuk 1.2

2. Daarna zet je de laptop weg en pak je je boek.

3. Maak in je boek de opdrachten van het zelfde hoofdstuk.

Dus nu ook 1.2.

4. Ben je klaar? Zeg het tegen de docent.

5. Pak daarna de laptop en maak de opdrachten van het volgende hoofdstuk.

6. Weet je iets niet? Vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

7. Onthoud waar je bent gebleven voor de volgende les.



7: uitleg volgorde

1.2 1.2 1.3 1.3

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1. Door alle opdrachten te maken leer je de klank van de letter.

2. Je leert het verschil tussen letters.

  1. je leert het verschil tussen klanken

4. Je leert letters goed van elkaar te onderscheiden.


8: doel klank teken koppeling

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1. Hoor je een nieuwe klank?

Denk aan woorden in je eigen taal met dezelfde klank.

Probeer ze samen te onthouden.

2. Door kennis te verbinden leer je sneller en onthoud je beter.

.

Bijvoorbeeld: De tolk zegt de letter en een woord in eigentaal als voorbeeld en herhaalt

dat 3 keer (bv k; kitchen)

9: koppelen moedertaal

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1. Maak alle opdrachten van de letter.

2. Weet je iets niet? Vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

3. De opdrachten lijken elke keer op elkaar. Daardoor weet je steeds beter wat je moet doen.


10: alle opdrachten via de laptop

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1 Om goed te schrijven doe je het volgende:

2. Zit rechtop.

3. Houd het potlood goed vast met drie vingers.

4. Druk niet te hard op het papier.

5. Zo kun je langer schrijven zonder pijn.

11: schrijfhouding, pengreep en pendruk

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1. Je begint met grote letters overschrijven.

2. Kijk naar de cijfers en pijlen in je boek.

3. Begin bij 1, volg de pijl, ga dan naar 2.

4. Zeg zachtjes: 1–2.

5. Schrijf netjes binnen de lijnen.

6. Maak alle letters even groot als het voorbeeld.


12: schrijfrichting

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1. Schrijf over alle grijze letters.

2. Zo oefen je de vorm van de letter.

3. Herhaal in gedachten de het aantal schrijfbewegingen; 1-2


13: letters overschrijven

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

  1. Schrijf de letter groot of klein zoals het moet.
    Kijk: staat de letter goed in de blauwe lijn?

  2.  Heeft de letter een stok?
    → De stok gaat boven de blauwe lijn.

  3. Heeft de letter een staart?
    → De staart gaat onder de blauwe lijn.   

14: letterpositie in regel

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

  1. Schrijf je een letter?
    Zeg zacht of in gedachten de klank van de letter.

  2. Doe dat bij alle oefeningen.

  3. Zo onthoud je de letter én de klank beter.  

15: koppel aan klank

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1. Lees het woord.

2. Denk na: wat betekent het in je eigen taal?

3. Lees de losse letters.

4. Schrijf het woord en spreek het zachtjes uit.


16.   Begrijp en schrijf een woord

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

 1. Ga je schrijven?

Lees het woord hardop maar zachtjes.

2. Je hoort de klanken en vormt zo het hele woord.

3. Schrijf de klanken.

4. Hierdoor onthoud je woorden beter.

17: luister naar je stem

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1. kijk naar de plaatjes.
Herken je al iets? Weet je al een woord?

  1. Lees de tekst daarna twee keer rustig.

3. Denk na: waar gaat de tekst over?

4. Een tekst die je niet begrijpt, heb je niet gelezen.

lees hem dan opnieuw of vraag om hulp


18: begrijp wat je leest

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1.   

19: leeg

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1. Werk in je eigen tempo.

2. Ga niet te snel, dan onthoud je minder goed.

3. Iedereen heeft een ander tempo, dat maakt niet uit; je werkt zelfstandig in dit boek.


20: Tip; werk in eigen tempo

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1. Weet je iets niet meer?

Ben je vergeten hoe je een letter schrijft, of wat de betekenis van een woord is:

2. Kijk terug in je boek.


21: Tip; kijk terug

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1. Je hersenen worden moe.

Als ze moe zijn onthouden ze minder.

2. Doe soms even iets anders.

3. Daarna kun je weer goed verder werken.

22: afwisseling spanningsboog

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1. Schrijf de letters thuis nog een keer.

2. Herhaal ook de klanken.

3. Oefen samen met iemand.

4. En verbeter elkaar wanneer het nodig is.

5. Door te herhalen onthoud je het beter.

6. Ook door het samen te bespreken onthoud je het beter.


23: oefen thuis

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1. Het doel van deze les is lezen en schrijven leren.

2. Hoor je een klank? Denk dan aan woorden die je kent met dezelfde klank.

3. Denk na over de betekenis van de woorden die je schrijft.

4. Schrijf de voorbeelden netjes na.

5. Werk rustig.

6. Weet je iets niet? Kijk in je boek terug of vraag hulp aan een klasgenoot of de docent.


24: algemene instructie

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1.       Iedereen maakt deze opdracht alleen en tegelijk.

2.       Door veel te herhalen, onthoud je beter.

3.       Denk terug aan de les van vandaag.

4.       Welke letter heb je vandaag geleerd? Zeg de klank.

5.       Welke woorden heb je vandaag geleerd? Zeg er één.

6.       Wat betekent dat woord in jouw eigen taal?

7.       Ben je tevreden over hoe je hebt gewerkt?

 

25: Nabespreken individueel

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

  1. Werk met z’n tweeën.

  2. Samen praten helpt. Zo leer je van elkaar

  3. Praat samen in  je eigen taal.

  4. Zeg welke letter je vandaag hebt geleerd.

  5. Zeg welke woorden je hebt geleerd en wat ze betekenen in je eigen taal.

  6. Kan de ander nog meer woorden noemen?

 

26: Nabespreken tweetal

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

  1.       Werk met z’n tweeën.

2.       Praat samen. Zo leer je van elkaar.

3.       Praat in je eigen taal.

4.       Kijk in het werkboek van de ander.

5.       Wijs 2 dingen aan die goed zijn. Zeg waarom.  

6.       Wijs 1 ding aan dat beter kan. Zeg waarom.

7.       Bedenk samen hoe je dat volgende keer kunt verbeteren.

 

 

27: Nabespreken feedback

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1.   

.... leeg

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.

1.   

.... leeg

1.        Je maakt alle opdrachten op de laptop die horen bij één letter. Bijvoorbeeld bij 1.2

2.       Daarna ruim je de laptop op en pak je jouw boek.

3.       Maak in je boek de opdrachten die horen bij die letter; bijvoorbeeld ook 1.2

4.       Heb je een onderdeel af, zeg dit tegen de docent.

5.       Weet je niet wat je moet doen, vraag een klasgenoot of de docent om hulp.

6.       Aan het einde van de les onthoud je waar je bent gebleven zodat je de volgende les weer verder kunt.

7.       Weet je dat niet meer; vraag hulp.