Ontwikkelingspsychologie - Peuter

1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
Pedagogisch werkMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een baby wordt geboren met verschillende reflexen. Welke reflexen zijn belangrijk voor het overleven van de baby? (meerdere antwoorden zijn goed)
A
Zuigreflex
B
Loopreflex
C
Grijpreflex
D
Kruipreflex

Slide 2 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een baby kan kleinere voorwerpen pakken met duim en wijsvinger. Dit noemen we:
A
Grove motoriek
B
Fijne motoriek
C
Pincetgreep
D
Oog-handcoördinatie

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De pincetgreep, de motoriek, oog-handcoördinatie en sensomotorische ontwikkeling vallen onder het...
A
Lichamelijke aspect
B
Cognitieve aspect
C
Sociale aspect
D
Seksuele aspect

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Klanken en woorden krijgen voor baby's steeds meer betekenis. Als je aan een baby vraagt: 'waar is de bal?' en de baby kruipt naar de bal, is dit een voorbeeld van....
A
Eenwoordzinnen
B
Lichaamstaal
C
Brabbelen
D
Symboolbewustzijn

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

deze les 

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Tekstslide

Magisch denken
Een peuter kan nog geen onderscheid maken tussen wat leeft en wat niet leeft, tussen werkelijkheid en fantasie. Hierdoor gaat hij zelf verklaringen bedenken voor wat hij niet begrijpt. 

Animistisch denken betekent dat een peuter aan levenloze dingen (dus dat wat niet leeft) menselijke eigenschappen toekent: een kopje dat kapot valt, is stout. 

Slide 12 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Tekstslide

Kinderen beschikken over een aangeboren vermogen om taal te leren, maar taal zelf is niet aangeboren. Kinderen leren taal van hun omgeving. Twee psychologen (Hart en Risley) deden daar onderzoek naar. Peuters en kleuters die opgroeien in een gezin met laagopgeleide ouders horen gemiddeld 616 woorden per uur. Peuters en kleuters die opgroeien in een gezin met hoogopgeleide ouders, horen gemiddeld 2153 woorden per uur.
Dit heeft grote verschillen in taalvaardigheid bij peuters tot gevolg. Die verschillen in taalvaardigheid zijn nog groter tussen Nederlandstalige kinderen en anderstalige kinderen. Aan het eind van groep 2 hebben kinderen van ouders met een niet-westerse achtergrond een gemiddelde taalachterstand van twee jaar ten opzichte van hun Nederlandstalige leeftijdgenootjes.
0

Slide 14 - Video

Deze slide heeft geen instructies

2

Slide 15 - Video

Deze slide heeft geen instructies

00:15
kijkopdracht
let eens op de PM-er met de blauwe blouse
wat doet zij allemaal om de taalontwikkeling te stimuleren?

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

01:52
Wat deed zij om de taalontwikkeling te stimuleren?

Slide 17 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

tips
• Verwoord
• Geef de dingen die de peuter als 'dat' of 'die' benoemt, de naam die ervoor staat.
• Maak korte eenvoudige zinnen en spreek niet te snel.
• Reageer op lichaams- en gesproken taal van de peuter, luister naar hem en reageer positief.
• Lok taal uit, reageer op wat de peuter zegt, stel vragen, denk hardop, maak grapjes, Stimuleer ook dat kinderen op elkaar reageren.
• Zeg na wat de peuter zegt en voeg er nieuwe woorden aan toe.
• Leg de klemtoon op de belangrijkste woorden en herhaal woorden.
• Praat met peuters ook over hun gevoelens.
• Observeer het taalgedrag van de peuter en pas je woordkeus en lichaamstaal hierop aan.

Taalontwikkeling stimuleren

  1. Verwoord
  2. Geef de dingen die de peuter als 'dat' of 'die' benoemt, de naam die ervoor staat.
  3. Maak korte eenvoudige zinnen en spreek niet te snel.
  4. Reageer op lichaams- en gesproken taal van de peuter, luister naar hem en reageer positief.
  5. Lok taal uit, reageer op wat de peuter zegt, stel vragen, denk hardop, maak grapjes, Stimuleer ook dat kinderen op elkaar reageren.
  6. Zeg na wat de peuter zegt en voeg er nieuwe woorden aan toe.
  7. Leg de klemtoon op de belangrijkste woorden en herhaal woorden.
  8. Praat met peuters ook over hun gevoelens.
  9. Observeer het taalgedrag van de peuter en pas je woordkeus en lichaamstaal hierop aan.

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Tekstslide

Egocentrisme moet je niet verwarren met egoïsme. Een egoïst denkt alleen aan zichzelf, terwijl hij gezien zijn leeftijd en mogelijkheden anders zou moeten kunnen. Het egocentrisme van een peuter heeft te maken met onvermogen: het lukt een peuter niet om zich in te leven in de situatie van een ander.

De koppigheid van de peuter komt naar voren in:

zich verzetten tegen wat anderen willen;

alles zelf willen doen.

In plaats van over de koppigheidsfase, spreek je ook wel over de peuterpuberteit. De koppigheid van een peuter is geen boze opzet. Peuters moeten koppig zijn. Vertoont een peuter eenmaal verzet, dan lukt het hem zelf niet dit gedrag weer los te laten. Hij is nog niet flexibel.

De koppigheidsfase is voor de wilsontwikkeling van het kind erg belangrijk. Door koppig te zijn, experimenteert en oefent de peuter met de eigen wil. Peuters hebben deze fase dus nodig om uit te kunnen groeien tot zelfstandige, evenwichtige en wilskrachtige persoonlijkheden.

Het is een verkeerde gedachte dat je als opvoeder de peuter moet laten zien wie de baas is.

Als opvoeder heb je dan zeker veel conflicten.

Normbesef heeft te maken met begrip van goed en kwaad. Het gaat dus om het geweten. Een baby komt ter wereld zonder enig besef van goed en verkeerd, juist en onjuist. Dat besef moet zich ontwikkelen. Een kind moet goed en kwaad ook aan zichzelf, zijn eigen gedrag verbinden. Dat is pas mogelijk als het kind zelfbesef heeft. Zolang een kind geen zelfbesef heeft, zal hij niet inzien dat hijzelf iets verkeerd of fout doet.


Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

voorbeelden
Je krijgt per tweetal een a4 met twee korte casus
lees ze door en bespreek in tweetal:
  1. wat is volgens jullie de oorzaak van het gedrag van Job en Funda?
  2. Hoe zou je reageren op het gedrag van Job en Funda?

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

bron: seksuele ontwikkeling van 0-18 jaar - Rutgers

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

bron: seksuele ontwikkeling van 0-18 jaar - Rutgers

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies