Taal Compleet 5.3
Learning objective
Taal Compleet 5.3
Learning objective
stage lopen
Betekenis: werken en leren bij een bedrijf voor school of opleiding.
Woordsoort: uitdrukking / werkwoord
Vervoeging: stage lopen – liep stage – stage gelopen
Voorbeeldzin: Ik loop stage bij een ziekenhuis.
de techniek
Betekenis: alles wat met machines, computers en technologie te maken heeft.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Voorbeeldzin: Mijn broer werkt in de techniek.
tegelijk
Betekenis: op hetzelfde moment.
Woordsoort: bijwoord
Voorbeeldzin: We begonnen tegelijk met werken.
het bedrijf
Betekenis: een organisatie waar mensen werken.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de bedrijven
Voorbeeldzin: Mijn vader werkt bij een groot bedrijf.
1= de folder
2= de apparaten
3= de wasmachine
4= strijken
maken
Betekenis: iets creëren of doen.
Woordsoort: werkwoord
Vervoeging: maken – maakte – gemaakt
Voorbeeldzin: Ik maak mijn opdracht vanavond af.
verwarming
Betekenis: een systeem dat een huis warm maakt.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de verwarmingen
Voorbeeldzin: De verwarming staat vandaag hoog.
sociaal
Betekenis: vriendelijk en goed met andere mensen kunnen omgaan.
Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord
Voorbeeldzin: Zij is een sociaal persoon.
controleren
Betekenis: kijken of iets goed is.
Woordsoort: werkwoord
Vervoeging: controleren – controleerde – gecontroleerd
Voorbeeldzin: De docent controleert mijn huiswerk.
verzorgen
Betekenis: goed zorgen voor iemand of iets.
Woordsoort: werkwoord
Vervoeging: verzorgen – verzorgde – verzorgd
Voorbeeldzin: Hij verzorgt zijn zieke moeder.
de kans
Betekenis: de mogelijkheid dat iets gebeurt.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de kansen
Voorbeeldzin: Ik heb een grote kans om te slagen.
zeer
Betekenis: heel, erg.
Woordsoort: bijwoord
Voorbeeldzin: Ik ben zeer tevreden met mijn resultaat.