Week 36 BK/KGT Taalverzorging Perron 1 - les 2

Lesdoel
Aan het einde van deze les:
  1. Weet je wanneer je 1 en wanneer je 2 klinkers gebruikt.
  2. Weet je wat leenwoorden zijn.
1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo lwooLeerjaar 2

In deze les zitten 12 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Lesdoel
Aan het einde van deze les:
  1. Weet je wanneer je 1 en wanneer je 2 klinkers gebruikt.
  2. Weet je wat leenwoorden zijn.

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Uitleg
Lange klanken moet je in het Nederlands soms met één klinker en soms met twee klinkers schrijven.

Heb je een lange klank én een gesloten lettergreep? Dan heb je twee klinkers nodig: maan-dag.

Heb je een lange klank én een open lettergreep? Dan heb je maar één klinker nodig: bo-men.

Korte klanken worden in het Nederlands doorgaans met één klinker geschreven: stok.
Als je een klank kort moet houden, zoals in stokken, schrijf je een extra medeklinker. Je krijgt dan een gesloten lettergreep.

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

Leenwoorden
Veel Nederlandse woorden hebben we van een andere taal geleend. We noemen dit soort woorden daarom leenwoorden.
We komen aan die woorden door de handel met andere landen. Ook hebben mensen uit andere landen die in Nederland zijn komen wonen, voor nieuwe woorden gezorgd. Meestal schrijven we die leenwoorden zoals ze in de oorspronkelijke taal geschreven worden. Bijvoorbeeld de penalty (vanuit het Engels) of de douche (vanuit het Frans).
De laatste jaren is het aantal Engelse leenwoorden enorm gegroeid. Dat heeft te maken met het toenemende gebruik van computers, mobiele telefoons en tablets. Bijna alle woorden die te maken hebben met computers of tablets lenen wij uit het Engels.

Slide 5 - Tekstslide

Leenwoorden zijn woorden uit een andere taal die in het Nederlands gebruikt worden.
A
waar
B
niet waar

Slide 6 - Quizvraag

Veel Nederlandse leenwoorden zijn afkomstig uit het Engels.
A
waar
B
niet waar

Slide 7 - Quizvraag

Leenwoorden uit het Engels hebben vaak te maken met de computers, tablets en mobiele telefoons.
A
waar
B
niet waar

Slide 8 - Quizvraag

Leenwoorden ontstaan vooral door contact met anderstaligen via handel.
A
waar
B
niet waar

Slide 9 - Quizvraag

Mensen die in Nederland komen wonen nemen woorden uit hun taal mee.
A
waar
B
niet waar

Slide 10 - Quizvraag

Oefenen
BK: Maak opdracht 1 t/m 9 en 11 t/m 14 van taalverzorging Perron 1

KGT: Maak opdracht 1 t/m 5 en 7 t/m 14 van taalverzorging Perron 1

Huiswerk: afmaken wat je niet af hebt gekregen

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Video