4. De arbeidsmarkt. 4.1 Wat is de arbeidsmarkt?

4.1 Wat is de arbeidsmarkt? 
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
MaatschappijleerMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

4.1 Wat is de arbeidsmarkt? 

Slide 1 - Tekstslide

Vraag en aanbod van arbeidskrachten

Slide 2 - Tekstslide

Vraag naar arbeidskrachten
  • alle mensen die nodig zijn om het werk in de samenleving uit te voeren. 
  • De totale behoefte aan aan arbeidskrachten bij alle werkgevers noemen we de werkgelegenheid

Slide 3 - Tekstslide

Aanbod van arbeidskrachten
  • alle personen tussen de 15 en 75 jaar die minimaal per week werken of voor werk beschikbaar zijn. 
  • Samen vormen zij de beroepsbevolking
  • 9 miljoen mensen (werkenden en werkzoekenden)

Slide 4 - Tekstslide

Arbeidssectoren
Je kunt alle beroepen indelen in vier arbeidssectoren:

  1.  Primaire sector: landbouw, veeteelt, visserij. 
  2.  Secundaire sector: industrie (autofabriek) en ambacht (schoenmaker)
  3. Tertiaire sector: commerciële dienstverlening                                         (reisbureau, horeca, kledingwinkel, reclamebureau)
  4.  Quartaire sector: overheidsinstanties en niet-commerciële dienstverlening: onderwijs, brandweer, gemeentereiniging 

Slide 5 - Tekstslide

Tertiaire en quartaire sector = dienstensector
leveren geen tastbare producten
maar diensten:

  • organiseren reis
  • schoonmaken gebouw
  • geven les
  • blussen van een brand

De meeste mensen werken in de dienstensector. Nederland is daarom een postindustriële samenleving/ informatiemaatschappij

Slide 6 - Tekstslide

Wat laat dit plaatje zien? De werkgelegenheid of de beroepsbevolking? 

Slide 7 - Tekstslide

Welke arbeidssector zie je hier?
A
Primaire sector
B
Tertiaire sector
C
Secundaire sector
D
Quartaire sector

Slide 8 - Quizvraag

Welke arbeidssector zie je hier?
A
Primaire sector
B
Tertiaire sector
C
Secundaire sector
D
Quartaire sector

Slide 9 - Quizvraag

Welke arbeidssector zie je hier?
A
Primaire sector
B
Tertiaire sector
C
Secundaire sector
D
Quartaire sector

Slide 10 - Quizvraag

Welke arbeidssector zie je hier?
A
Primaire sector
B
Tertiaire sector
C
Secundaire sector
D
Quartaire sector

Slide 11 - Quizvraag

Maatschappelijke klasse 
er bestaan grote verschillen tussen beroepen
verschillen in:
  • soort werk
  • aanzien/ status van het werk
  • beroepen met een hoge status
  • beroepen met weinig status 

Slide 12 - Tekstslide

Noem een beroep met een hoge status:

Slide 13 - Open vraag

Noem een beroep met weinig status:

Slide 14 - Open vraag

Status
  • Heeft niets te maken met leuk of geen leuk werk. 
  • Het gaat over hoe de maatschappij naar een bepaald beroep kijkt.
  • De status van jouw beroep bepaalt jouw maatschappelijke positie (sta je hoog of laag op de maatschappelijke ladder?)
  • Door je maatschappelijke positie, hoor je tot een bepaalde maatschappelijk klasse: een groep mensen met ongeveer dezelfde maatschappelijke positie. Samen hoog op de ladder, of juist laag of in het midden. 

Slide 15 - Tekstslide

Sociale ongelijkheid
Hoge maatschappelijk positie --> hoge sociale klasse
Mensen met weinig inkomen, kennis en macht --> lage sociale klasse

Er bestaat dus ongelijkheid tussen mensen door hun opleiding en het beroep dat ze hebben. 

Sociale ongelijkheid = inkomen, kennis en macht zijn niet gelijk over de mensen verdeeld. 

Slide 16 - Tekstslide

Welk beroep staat het laagst op de maatschappelijke ladder?
A
Vuilnisman
B
Toiletten schoonmaken bij de Bijenkorf
C
Arts
D
Docent

Slide 17 - Quizvraag

Sociale ongelijkheid komt voort uit
Wat heeft sociale ongelijkheid te maken met de maatschappelijke ladder?
A
Verschil in inkomen
B
Verschil in sociaal milieu
C
Verschil in opleiding
D
A, B en C

Slide 18 - Quizvraag

Een chirurg heeft een hogere maatschappelijke positie dan een huisarts.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 19 - Quizvraag