In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 50 min
Onderdelen in deze les
T3 Erfelijkheid en evolutie
Benodigheden
- Werkboek en schrift
- Pen, potlood, etc.
- iPad
Cijfer
- NEE
LessonUp
Nee
Lesson Up
Ja
Tassen in
de tassenkast
Telefoons en jassen in je kluis
Slide 1 - Tekstslide
timer
1:30
Slide 2 - Tekstslide
laatste les voor de toets
hoe ver met de voorbereidingen?
zijn er nog vragen of lastige onderwerpen?
Slide 3 - Tekstslide
laatste les voor de toets
alles in de tas laten -> tas in de tassenkast
je gaat zitten op de plek van de klassenplattegrond
Slide 4 - Tekstslide
laatste les voor de toets
groepjes van 3 bij elkaar,
1 persoon met i-Pad,
1 leeg vel, 1 pen
Slide 5 - Tekstslide
laatste les voor de toets
meedoen: groepsnaam is groepsnummer
max. 90 seconden bedenktijd
Slide 6 - Tekstslide
Hoeveel jaar geleden is het leven op aarde ontstaan?
A
1,5 miljard jaar geleden
B
3,5 miljard jaar geleden
C
4,5 miljard jaar geleden
D
6 miljard jaar geleden
Slide 7 - Quizvraag
Welke mutatie heeft geen gevolgen voor de persoon zelf die de mutatie in het DNA heeft?
A
Dominante mutatie in een geslachtscel
B
Dominante mutatie in een lichaamscel
C
Recessieve mutatie in een geslachtscel
D
Recessieve mutatie in een lichaamscel
Slide 8 - Quizvraag
een hond is ontstaan uit een paard
A
goed
B
fout
Slide 9 - Quizvraag
Iemand, die in staat is zijn tong op te rollen is in het bezit van het allel R. Een persoon die zijn tong niet kan oprollen (rr) heeft twee zussen, die dit wel kunnen. Zijn beide ouders kunnen dit ook. Wat zijn de genotypen van ouders en zussen?
A
Ouders RR en Rr, zussen RR en/of Rr.
B
Ouders Rr en Rr, zussen alleen RR.
C
Ouders RR en Rr, zussen alleen Rr.
D
Ouders Rr en Rr, zussen RR en/of Rr.
Slide 10 - Quizvraag
Bij erwtenplanten geldt dat het allel T voor grote planten dominant is over allel t voor gedrongen planten. Bereken de kans op een homozygoot dominante nakomeling uit een kruising van een heterozygote ouderplant met een homozygoot recessieve ouderplant.
Slide 11 - Open vraag
wat betekent 'dominant' ?
Slide 12 - Open vraag
wat betekent 'biotechnologie'?
Slide 13 - Open vraag
Wat is transcriptie?
A
RNA wordt gemaakt op basis van DNA
B
DNA wordt gemaakt op basis van RNA
C
een eiwit wordt gemaakt op basis van DNA
D
een eiwit wordt gemaakt op basis van RNA
Slide 14 - Quizvraag
Als van een vrouw de vader blauwe ogen heeft en de moeder heeft blauwe ogen. Heeft deze vrouw een homozygoot of een heterozygoot genotype?
Slide 15 - Open vraag
Noem zoveel mogelijk mutagene invloeden...
Slide 16 - Open vraag
wat is er nodig voor genetisch variatie?
A
mutaties
B
geslachtelijke voortplanting
C
isolatie
D
ongeslachtelijke voortplanting
Slide 17 - Quizvraag
wat betekent wanneer een individu een hogere fitness heeft?
Slide 18 - Open vraag
Via imponeergedrag kiezen de vrouwtjes een mannetje uit is een vorm van seksuele selectie Een andere vorm van seksuele selectie is ...
A
competentie
B
competitie
C
camouflage
D
computeren
Slide 19 - Quizvraag
wat betekent 'transgeen'?
Slide 20 - Open vraag
welke behandeling hoort er niet bij?
A
bestraling
B
chemotherapie
C
operatie
D
revalidatie
Slide 21 - Quizvraag
welk begrip hoort er niet bij? bestraling - chemotherapie - operatie - revalidatie
Slide 22 - Open vraag
beschrijf wat je aan het chromosomenportret kan zien of de chromosomen afkomstig zijn van een jongen of een meisje.
Slide 23 - Open vraag
Leg uit dat isolatie tussen twee populaties van dezelfde soort nodig is voor het ontstaan van een nieuwe soort
Slide 24 - Open vraag
Frank heeft voor het haarkleur de allelencombinatie BB (bruin), Frank zijn genotype is ...
A
Homozygoot dominant
B
Heterozygoot
C
Homozygoot recessief
Slide 25 - Quizvraag
Rode bloemen zijn dominant (A), witte bloemen recessief (a). Maar bloemen met het genotype Aa hebben roze bloemen, dit genotype noem je dan:
A
Dominant
B
Intermediair
C
Recessief
Slide 26 - Quizvraag
Chromosomen liggen in de
A
Celwand
B
Celmembraan
C
Cytoplasma
D
Celkern
Slide 27 - Quizvraag
Een mens heeft in een geslachtscel (eicel of zaadcel).
A
46 chromosomen
B
23 chromosomen
Slide 28 - Quizvraag
Het genotype is
A
Alle erfelijke eigenschappen
B
Alleen de waarneembare eigenschappen
C
alle erfelijke eigenschappen en de waarneembare eigenschappen
D
alle eigenschappen + het milieu
Slide 29 - Quizvraag
Het fenotype is
A
Alleen erfelijk
B
Erfelijk en invloeden van de omgeving
C
Alleen de invloeden van de omgeving
Slide 30 - Quizvraag
Alle kinderen uit één gezin hebben hetzelfde DNA?
A
Ja
B
Nee
Slide 31 - Quizvraag
Door geslachtelijke voortplanting ontstaan organismen met nieuwe genotypen
A
Ja
B
Nee
Slide 32 - Quizvraag
In de kern van een lichaamscel van een mens zitten 46 chromosomen
A
Ja
B
Nee
Slide 33 - Quizvraag
Bij de productie van bier en zuurkool wordt biotechnologie toegepast
A
Ja
B
Nee
Slide 34 - Quizvraag
Op welk moment komt het genotype van een baby tot stand?